Universal-Fach-Wörterbuch
Deutsch-Niederländisch
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
?
Z
Zacke*
1. neus, piek, punt, spits, tip, top, topje (pinto)
Zacken*
1. tand (dento)
zagen*
1. bang zijn voor, duchten, schromen, terugschrikken voor, vrezen (timi)
2. aarzelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten (shancelighi)
zaghaft*
1. bang, benepen, beschroomd, schroomvallig, schuw, vreesachtig (timema)
zähe*
1. volhardend (persista)
Zähigkeit*
1. vasthoudenheid (persisteco)
Zahl*
1. cijfer, nummer (cifero)
2. aantal, tal, getal (nombro)
zahlen*
1. betalen, dokken, storten, uitbetalen, uitkeren, voldoen (pagi)
zählen*
1. opsommen (denombri)
2. tellen, aftellen, neertellen (nombri)
Zähler*
1. teller (numeratoro)
zahllos*
1. ontelbaar, talloos (sennombra)
Zahlmeister*
1. kashouder, kassier, muntmeester, penningmeester (kasisto)
2. betaalmeester (pagisto)
3. hofmeester (provizajhestro)
zahlreich*
1. veel (multa)
Zahlung*
1. betaling, storting, uitbetaling, uitkering, voldoening (pago)
Zählung*
1. opsomming (denombrado)
2. becijfering, berekening, gecijfer (kalkulado)
zahlungsfähig*
1. in staat te betalen, kredietwaardig, solvent (solventa)
Zahlwort*
1. telwoord (numeralo)
Zahlzeichen*
1. cijfer, nummer (cifero)
zahm*
1. mak, tam (malsovagha)
2. gedwee, gehoorzaam, gewillig, mak, tam, volgzaam (obeema)
zähmen*
1. temmen (malsovaghigi)
Zahn*
1. tand (dento)
Zahnarzt*
1. tandarts (dentisto)
Zahnbürste*
1. tandenborstel (dentbroso)
Zahnfleisch*
1. tandvlees (dentkarno)
Zahnpasta*
1. tandpasta (dentpasto)
Zahnpaste*
1. tandpasta (dentpasto)
Zahnschmerz*
1. kiespijn, tandpijn (dentdoloro)
Zahnschmerzen*
1. kiespijn, tandpijn (dentdoloro)
Zahnweh*
1. kiespijn, tandpijn (dentdoloro)
Zander*
1. snoekbaars, zander (sandro)
Zange*
1. greep, grijper, handvat, oor (prenilo)
Zank*
1. dispuut, kwestie, strijd, twist, redetwist, twistgesprek (disputo)
2. geschil, herrie, mot, onmin, ruzie, strijd, tweespalt (malpaco)
zapfen*
1. aftappen (elkrani)
2. ontlokken, tappen, trekken, te voorschijn trekken, uithalen (eltiri)
zappeln*
1. spartelen, worstelen, zich aftobben (barakti)
Zar*
1. tsaar (caro)
zart*
1. delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer (delikata)
zärtlich*
1. liefkozend (karesa)
Zauber*
1. begoocheling, betovering (ensorcho)
2. magie, toverkunst (magio)
3. toverij (sorchado)
4. toverij (sorcho)
Zauber-*
1. tover-, toverachtig (sorcha)
Zauberei treiben*
1. heksen (sorchi)
Zauberer*
1. duivelskunstenaar, magiër (magiisto)
2. duivelskunstenaar, tovenaar (sorchisto)
zauberisch*
1. magisch, toverachtig (magia)
2. tover-, toverachtig (sorcha)
zaubern*
1. heksen (sorchi)
zaudern*
1. aarzelen, dubben, schoorvoeten, schromen, weifelen (heziti)
2. aarzelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten (shancelighi)
Zaum*
1. breidel, teugel, toom (brido)
Zäumung*
1. breidel, teugel, toom (brido)
Zaun*
1. afsluiting, barrière, heining, hek, versperring (barilo)
Zaunpfahl*
1. paal, heipaal, staak (paliso)
Zebra*
1. Kaapse ezel, zebra (zebro)
Zeche*
1. feestmaal, festijn, gelag, smulpartij (festeno)
2. gilde (gildo)
zechen*
1. drinken, pimpelen, zuipen (drinki)
Zeder*
1. ceder (cedro)
Zehe*
1. teen (piedfingro)
zehn*
1. tien (dek)
zehnfach*
1. tiendubbel, tienvoudig (dekobla)
zehnter*
1. tiende (deka)
zehren*
1. consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren (konsumi)
2. kwijnen, opraken, uitteren, verteren, wegteren (konsumighi)
Zeichen*
1. bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk (signo)
Zeichenpapier*
1. tekenpapier (desegnopapero)
zeichnen*
1. tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen (desegni)
2. aanduiden, aangeven, een teken geven, merken, kenmerken, tekenen (signi)
Zeichnung*
1. dessin, schets (desegno)
zeigen*
1. aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden (indiki)
2. laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen (montri)
3. laten kijken, laten zien, tonen (vidigi)
Zeiger*
1. wijzer, aanwijzer (montrilo)
Zeile*
1. lijn, linie, regel, schreef, streep, toer (linio)
Zeisig*
1. sijs, sijsje (fringelo)
Zeit*
1. poos, tijd (tempo)
Zeitabschnitt*
1. tijdperk, tijdsgewricht (epoko)
zeitgemäß*
1. betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk (konvena)
zeitig*
1. tijdig, vroeg (frue)
2. bijtijds, op tijd, tijdig (ghustatempe)
Zeitschrift*
1. periodiek (perioda gazeto)
2. periodiek, revue, tijdschrift (revuo)
Zeitung*
1. blad, krant (gazeto)
2. courant, dagblad, krant (jhurnalo)
zeitweilig*
1. af en toe, bij tijd en wijlen, bij wijlen, nu en dan, van tijd tot tijd (de tempo al tempo)
Zeitwort*
1. werkwoord (verbo)
Zelebrität*
1. een groot man, notabele, topfiguur, topfunctionaris (eminentulo)
Zelle*
1. cel (chelo)
Zellstoff*
1. cellulose, celstof (celulozo)
Zelluloid*
1. celluloid (celuloido)
Zellulose*
1. cellulose, celstof (celulozo)
Zelot*
1. drijver, ijveraar, supporter, zeloot (zeloto)
Zelt*
1. huif, tent, kampeertent (tendo)
zelten*
1. met een tent kamperen (kampadi per tendo)
Zeltlager*
1. kamp, kampement, tentenkamp (tendaro)
Zeltplatz*
1. camping, kamp, kampeerterrein (kampadejo)
Zement*
1. cement (cemento)
Zenit*
1. hoogtepunt, zenit (zenito)
zensieren*
1. censureren, keuren (cenzuri)
Zensor*
1. censor, zedenmeester (cenzuristo)
Zensur*
1. censuur, keuring (cenzuro)
Zentigramm*
1. centigram (centigramo)
Zentiliter*
1. centiliter (centilitro)
Zentimeter*
1. centimeter (centimetro)
Zentner*
1. centenaar (centfunto)
zentral*
1. centraal, middelste (centra)
Zentralafrikanische Republik*
1. Centraalafrikaanse Republiek (Centrafriko)
Zentralasien*
1. Centraal-Azië (Mezazio)
Zentralheizung*
1. centrale verwarming (centra hejtado)
zentralisieren*
1. centraliseren (centralizi)
Zentrum*
1. binnenste, centrum, middelpunt (centro)
Zephyr*
1. zacht windje, zefier (zefiro)
Zepter*
1. rijksstaf, scepter (sceptro)
zer-*
1. uiteen-, uitelkaar- (dis-)
Zerberus*
1. Cerberus (Kerbero)
zerdrücken*
1. fijnknijpen (dispremi)
Zeremonie*
1. ceremonie, plechtigheid, plichtplegingen (ceremonio)
zerfetzen*
1. in stukken breken, in stukken scheuren, verbrokkelen (dispecigi)
zergliedern*
1. analyseren, ontbinden, ontleden (analizi)
2. ontleden (dismembrigi)
3. doorsnijden, sectie verrichten (sekci)
Zergliederungskunst*
1. anatomie, ontleedkunde (anatomio)
zerknittern*
1. frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen (chifi)
zerknüllen*
1. frommelen, kreukelen, verfomfaaien, verfrommelen, verkreukelen (chifi)
zerlegen*
1. distribueren, verdelen (dispartigi)
2. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen (dividi)
3. indelen, verdelen (partigi)
4. doorsnijden, sectie verrichten (sekci)
Zerlegung*
1. autopsie, lijkschouwing (sekcado)
2. lijkopening, sectie (sekco)
zermalmen*
1. intrappen, verbrijzelen, vermorzelen, verpletteren (frakasi)
2. stampen, fijnstampen (pisti)
zerplatzen*
1. barsten, breken, openbarsten, scheuren, springen, stukspringen (krevi)
Zerrbild*
1. karikatuur, spotprent (karikaturo)
zerreißen*
1. doorscheuren, vaneenscheuren, verscheuren (disshiri)
2. rijten, scheuren (shiri)
zerren*
1. schokken (ekskui)
2. rukken (ektiri)
3. rijten, scheuren (shiri)
zerschellen*
1. tot gruis stampen (disfrakasi)
zerschlagen*
1. uiteenslaan (disbati)
zerschmettern*
1. intrappen, verbrijzelen, vermorzelen, verpletteren (frakasi)
zerspringen*
1. barsten, breken, openbarsten, scheuren, springen, stukspringen (krevi)
zerstampfen*
1. stampen, fijnstampen (pisti)
zerstören*
1. vernielen, vernietigen, verwoesten (detrui)
zerstoßen*
1. stampen, fijnstampen (pisti)
zerstreuen*
1. uitstrooien, uitzaaien (dissemi)
2. uitzaaien (dissemigi)
3. afleiden, verstrooien (distri)
zerstreut*
1. dungezaaid, sporadisch (sporada)
Zerstreuung*
1. verstrooiing, verzet (distrigho)
Zertifikat*
1. akte, attest, certificaat, getuigenis, getuigschrift, testimonium (atesto)
Zerwürfnis*
1. scheiding (disigho)
Zession*
1. afstaan, afstand, cessie, concessie, toegeving (cedo)
zetern*
1. blèren, brullen, bulderen, gillen, uitbrullen (kriegi)
Zettel*
1. kaart (karto)
Zeug*
1. gereedschap, gerei, outillage (ilaro)
2. garderobe, kleding, kleren, plunje (vestaro)
3. stof, weefsel (shtofo)
Zeuge*
1. getuige (atestanto)
Zeughaus*
1. arsenaal, tuighuis, wapenkamer (armilejo)
2. arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn (arsenalo)
Zeugnis*
1. akte, attest, certificaat, getuigenis, getuigschrift, testimonium (atesto)
Zeus*
1. Zeus (Zeuso)
Zibet*
1. civet, civetkat (cibeto)
Zichorie*
1. cichorei, lof (cikorio)
Zicke*
1. geit (kaprino)
Zicklein*
1. geitje (kaprido)
Zickzack*
1. zigzaglijn (zigzago)
Zider*
1. appelwijn, cider (cidro)
Ziege*
1. geit (kaprino)
2. geit, bok, sik (kapro)
Ziegel*
1. klinker, steen, baksteen, bouwsteen, stuk, tichel (briko)
2. pan, dakpan (tegolo)
Ziegelstein*
1. klinker, steen, baksteen, bouwsteen, stuk, tichel (briko)
Ziegenbock*
1. bok, geitebok (virkapro)
ziehen*
1. trekken (tiri)
ziehen auf*
1. trasseren, trekken (trati)
ziehen lassen*
1. aftrekken, laten trekken, zetten (infuzi)
Ziehharmonika*
1. accordeon, trekharmonika (akordiono)
Ziehung*
1. loting, trekking (lotado)
2. haal, teug, trek (tiro)
Ziel*
1. doel, doelstelling, doelwit, honk, wit (celo)
zielen*
1. bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben (celi)
Zielscheibe*
1. schijf, schietschijf (celtabulo)
ziemen*
1. betamen, horen, behoren, passen, voegen (deci)
2. betamem, gelegen komen, passen, schikken, uitkomen, voegen (konveni)
ziemlich*
1. een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat (iom)
2. aardig, tamelijk (relative)
3. genoeg, voldoende (suficha)
4. basta, genoeg, nogal, tamelijk, vrij (sufiche)
Zierat*
1. decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel (ornamajho)
2. opsmuk, ornament, sieraad, tooi, versiering (ornamo)
zierlich*
1. bevallig, gracieus, sierlijk (gracia)
Zierrahmen*
1. cartouche (kartusho)
Ziesel*
1. Siberische marmot (zizelo)
Zieselmaus*
1. Siberische marmot (zizelo)
Ziffer*
1. cijfer, nummer (cifero)
Zifferblatt*
1. wijzerplaat (ciferplato)
Zigarette*
1. saffiaantje, sigaret (cigaredo)
Zigarettenautomat*
1. sigarettenautomaat (cigaredautomato)
Zigarre*
1. sigaar (cigaro)
Zigarrenspitze*
1. sigarenpijpje (cigaringo)
Zigarrenstummel*
1. peuk, peukje, sigarepeuk, sigarepeukje (cigarstumpo)
Zigarrentasche*
1. sigarenkoker (cigarujo)
Zigeuner*
1. zigeuner (cigano)
Zikade*
1. cicade (cikado)
Zimbel*
1. bekken, cimbaal (cimbalo)
Zimmer*
1. kamer, lokaal, vertrek (chambro)
Zimmerdecke*
1. hoogtegrens, plafon, plafond, zolder, zoldering (plafono)
Zimmermädchen*
1. kamenier, kamermeisje (chambristino)
Zimmermann*
1. timmerman (charpentisto)
zimmern*
1. bouwen, opbouwen, timmeren (charpenti)
Zimmerwerk*
1. timmerwerk, vakwerk (trabajho)
Zimmet*
1. kaneel (cinamo)
zimperlich*
1. nuffig, preuts, zedig (pruda)
Zimt*
1. kaneel (cinamo)
Zink*
1. zink (zinko)
Zinke*
1. tand (dento)
2. kornet (korneto)
3. neus, piek, punt, spits, tip, top, topje (pinto)
Zinn*
1. tin (stano)
Zinnober*
1. bergrood, vermiljoen (cinabro)
Zins*
1. aangelegenheid, belang, belangstelling (intereso)
2. percent, procent, rente (procento)
3. interest, rente (rentumo)
Zinsabschnitt*
1. bon, coupon, kaartje, voucher (kupono)
Zipfel*
1. hoekje (anguleto)
2. neus, piek, punt, spits, tip, top, topje (pinto)
Zipperlein*
1. jicht, podagra (podagro)
Zirbelbaum*
1. arve, alpenden (cembro)
zirka*
1. daaromheen, eromheen, in het rond, ongeveer, rondom (chirkaue)
Zirkel*
1. passer (cirkelo)
Zirkon*
1. zirkoon (zirkono)
Zirkonium*
1. zirconium (zirkonio)
Zirkular*
1. circulaire, rondschrijven (cirkulero)
Zirkulation*
1. circulatie, omloop, roulatie (cirkulado)
zirkulieren*
1. circuleren, in omloop zijn, rondgaan, rouleren (cirkuli)
2. de ronde doen, rondgaan (rondiri)
Zirkumflex*
1. circumflex, kapje, kapjesteken, samentrekkingsteken (cirkumflekso)
Zirkus*
1. circus (cirko)
zirpen*
1. sjilpen, sjirpen (chirpi)
zischen*
1. brullen, bulderen, daveren, loeien (mughi)
2. fluiten, sissen (sibli)
ziselieren*
1. beitelen (chizi)
Zisterne*
1. bak, reservoir, tank, vergaarbak (cisterno)
Zitadelle*
1. citadel (citadelo)
Zitat*
1. aanhaling, citaat (citajho)
Zither*
1. citer (citro)
zitieren*
1. aanhalen, citeren, noemen (citi)
Zitrone*
1. citroen (citrono)
2. limoen (limono)
zittern*
1. beven, bibberen, huiveren, rillen, trillen (tremi)
Zitterpappel*
1. esp, ratelpopulier (tremolo)
Zitz*
1. bedrukt katoen, sits (indieno)
Zitze*
1. speen, tepel (mampinto)
zivil*
1. burgerlijk, civiel (civila)
Zivilisation*
1. beschaving (civilizacio)
zivilisieren*
1. beschaven, civiliseren (civilizi)
Zobel*
1. sabeldier (zibelo)
Zobeltier*
1. sabeldier (zibelo)
Zober*
1. bak, kuip, teil, tobbe (kuvo)
Zodiakus*
1. dierenriem, zodiak (zodiako)
Zofe*
1. kamenier, kamermeisje (chambristino)
zögern*
1. aarzelen, dubben, schoorvoeten, schromen, weifelen (heziti)
2. dralen, leuteren, talmen, teuten, toeven, treuzelen (malrapidi)
3. aarzelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten (shancelighi)
Zögerung*
1. getalm (prokrastado)
Zögling*
1. leerling (lernanto)
Zölibat*
1. ongehuwde staat (senedzeco)
Zoll*
1. duim, <duim als lengtemaat> (colo)
Zollamt*
1. douane (dogano)
Zöllner*
1. tollenaar (impostisto)
Zone*
1. singel, zone (zono[2])
Zoolog*
1. zoöloog (zoologiisto)
Zoologie*
1. dierkunde, zoölogie (zoologio)
Zopf*
1. vlecht (harligo)
Zote*
1. ongepastheid (malkonveno)
Zotte*
1. haar, haarbosje (vilo)
Zottel-*
1. harig, ruig, ruigharig (vila)
zottig*
1. harig, ruig, ruigharig (vila)
zu*
1. aan, bij, naar, tegen, tot, voor (al)
2. aan, in, binnen, per, te (en)
3. dicht, gesloten, toe (fermita)
4. te, al te, te veel, te zeer (tro)
5. aan, bij, ten huize van (che)
Zuave*
1. zouaaf (zuavo)
Zubehör*
1. accessoires, toebehoren (akcesorajhoj)
Zubehörteile*
1. accessoires, toebehoren (akcesorajhoj)
Zuber*
1. bak, kuip, teil, tobbe (kuvo)
zubringen*
1. aangeven, aanreiken, doorbrengen, verdrijven (pasigi)
Zucht*
1. opvoeding, vorming (edukado)
2. eerbaarheid, kuisheid, reinheid, zuiverheid (chasteco)
züchten*
1. dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden (eduki)
Zuchthaus*
1. strafgevangenis (pundomo)
züchtig*
1. braaf, deugdzaam, eerbaar (virta)
2. eerbaar, kuis, rein, zedig (chasta)
züchtigen*
1. stillen, sussen, temmen, tot rust brengen, verslaan (kvietigi)
2. straffen, bestraffen (puni)
Züchtigung*
1. bestraffing, strafoefening, strafoplegging (punado)
zuchtlos*
1. ongedisciplineerd, tuchtloos, vrijgevochten (sendisciplina)
Züchtung*
1. opvoeding, vorming (edukado)
2. bouw, cultuur, teelt, verbouw (kulturado)
zucken*
1. beginnen te trillen (ektremi)
2. krampachtig samentrekken, stuiptrekken (konvulsii)
3. beven, bibberen, huiveren, rillen, trillen (tremi)
zücken*
1. ontlokken, tappen, trekken, te voorschijn trekken, uithalen (eltiri)
2. beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen (levi)
Zucker*
1. suiker (sukero)
Zuckerkrankheit*
1. diabetes, suikerziekte (diabeto)
zuckern*
1. suikeren (sukeri)
Zuckerwaren*
1. suikerwaren (sukerajhoj)
Zuckerzeug*
1. suikergoed (sukerajho)
Zuckung*
1. kramp, stuip, stuiptrekking (konvulsio)
zudecken*
1. beleggen, dekken, bedekken, toedekken (kovri)
zudem*
1. overigens, trouwens, verder, voor de rest (cetere)
2. bovendien, buitendien, daarbij, verder (krome)
zudringlich*
1. opdringerig (trudema)
zueignen*
1. opdragen, spanderen, spenderen, toewijden (dedichi)
2. toeëigenen (proprigi)
zuerkennen*
1. gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen (aljughi)
2. dicteren (dikti)
zuerst*
1. eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst (unue)
Zufall*
1. toeval, toevalligheid (hazardo)
zufallen*
1. dichtgaan, sluiten, toegaan, toegroeien, toevallen, zich sluiten (fermighi)
zufällig*
1. incidenteel, toevallig (hazarda)
2. bij gelegenheid (okaze)
Zuflucht*
1. heenkomen, schuilplaats, toeverlaat, toevlucht, toevluchtsoord (rifughejo)
2. toevlucht (rifugho)
Zufluchtsstätte*
1. asiel, toevluchtsoort, vrijplaats (azilo)
Zufluß*
1. toeloop, vloed, toevloed (alfluo[3])
zufolge*
1. ingevolge, ten gevolge van (sekve de)
zufrieden*
1. tevreden, vergenoegd, voldaan (kontenta)
zufriedenstellen*
1. bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan, tevredenstellen, voldoen (kontentigi)
zufügen*
1. bijdoen, bijmengen, bijvoegen, toegeven, toevoegen (aldoni)
2. aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken (kauzi)
zu Fuß*
1. te voet (piede)
Zug*
1. haal, teug, trek (tiro)
2. tocht, trek (trablovo)
3. trein, spoortrein, tros (trajno)
4. trek, gelaatstrek, karaktertrek (trajto)
5. trein, spoortrein (vagonaro)
Zugabe*
1. aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging (aldono)
Zugang*
1. heenweg (aliro)
zugänglich*
1. genaakbaar, toegankelijk (alirebla)
zugehören*
1. behoren, behoren tot, toebehoren (aparteni)
Zügel*
1. leiding, leidsel, stuur (kondukilo)
zügellos*
1. bandeloos, ongebreideld, teugelloos (senbrida)
zügeln*
1. bedwingen, beteugelen, betomen, intomen, in toom houden (bridi)
Zugeständnis*
1. concessie (koncesio)
zugetan*
1. aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen (sindona)
zugleich*
1. aaneen, bijeen, ineen, samen, tezamen (kune)
2. gelijk, gelijktijdig, tegelijk, tegelijkertijd, tevens, tezelfdertijd (samtempe)
zu Grunde gehen*
1. creperen, omkomen, ondergaan, sneuvelen, vergaan, verongelukken (perei)
zu ... Gunsten*
1. ten behoeve van, ten gunste van (favore al)
zu Hause*
1. thuis (hejme)
zuhören*
1. aanhoren, luisteren, beluisteren, toehoren, toeluisteren (auskulti)
zujauchzen*
1. bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen (aklami)
zuknöpfen*
1. dichtknopen, toeknopen (butonumi)
Zukunft*
1. toekomende tijd, toekomst, verschiet (estonteco)
2. toekomende tijd, toekomst, verschiet (estonto)
zulänglich*
1. genoeg, voldoende (suficha)
zulassen*
1. binnenlaten, toelaten (allasi)
zuletzt*
1. ten laatste (laste)
zumachen*
1. dichtdoen, dichtmaken, sluiten, toedoen (fermi)
zumal*
1. in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk (precipe)
zumauern*
1. ommuren (enmurigi)
zum Beispiel*
1. bijvoorbeeld, bij voorbeeld (ekzemple)
zum besten halten*
1. bedotten, beduvelen, beetnemen, om de tuin leiden (mistifiki)
zumeist*
1. hoogstens, maximaal, meestal, ten hoogste (pleje)
zum Trotz*
1. in weerwil van, niettegenstaande, ondanks, ten spijte van, trots (spite)
zumuten*
1. eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen (postuli)
2. aanspraak maken op, claimen (pretendi)
zunächst*
1. in het bijzonder, inzonderheid, vooral (antau chio)
Zunahme*
1. groei, ontwikkeling, wasdom (kreskado)
2. aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename (kresko)
3. vergroting (pligrandigho)
4. aangroei, toename, vermeerdering (plimultigho)
Zuname*
1. bijnaam (alnomo)
zünden*
1. aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden (ekbruli)
2. aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken (ekbruligi)
Zunder*
1. tondel (mechajho)
2. tondel, tonder, zwam, tonderzwam (tindro)
Zündholz*
1. lucifer (alumeto)
Zündung*
1. ontbranding, ontsteking, vonkontsteking (sparkado)
Zunft*
1. corporatie, gilde, vakvereniging (korporacio)
Zunge*
1. tong (lango)
zu nichte machen*
1. tenietdoen, vernietigen (neniigi)
zupfen*
1. rijten, scheuren (shiri)
zu Rate ziehen*
1. consulteren, raadplegen (konsulti)
zurecht*
1. behoorlijk, fatsoenlijk, naar behoren, netjes, passend (dece)
2. gevoeglijk, op de juiste wijze (konvene)
zurechtweisen*
1. afkeuren, berispen, gispen, laken, wraken (mallaudi)
zureden*
1. manen, aanmanen, aansporen, vermanen, waarschuwen (admoni)
zureichen*
1. toereiken, toereikend zijn, voldoende zijn, voldoen, volstaan (sufichi)
zurichten*
1. bereiden, klaarmaken, toebereiden, verzetten, voltooien (pretigi)
2. neerzetten, oprichten, opslaan, vestigen (starigi)
zuriegeln*
1. grendelen, afgrendelen (rigli)
zur Last legen*
1. aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten (imputi)
zürnen*
1. boos zijn, boos zijn op, kwaad zijn, kwaad zijn op, toornen (koleri)
zur Post geben*
1. op de post doen, posten (enposhtigi)
zur Post tragen*
1. op de post doen, posten (enposhtigi)
zur rechten Zeit*
1. bijtijds, op tijd, tijdig (ghustatempe)
zur Sommerzeit*
1. 's zomers, in de zomer (somere)
zurück*
1. achteruit, achterwaarts, rugwaarts (malantauen)
2. her-, re-, terug-, weer- (re-)
3. nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer (ree)
4. achteruit, terug (reen)
5. terug, weerom (returne)
zurück-*
1. her-, re-, terug-, weer- (re-)
zurückbehalten*
1. openhouden, reserveren, vrijhouden (rezervi)
zurückbleiben*
1. achterblijven, nablijven (postresti)
zurückblickend*
1. retrospectief, terugziend (retrospektiva)
zurückgeben*
1. hergeven, reproduceren, teruggeven, vergelden, weergeven (redoni)
zurückhalten*
1. afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden (deteni)
2. detineren, ophouden, reserveren, terughouden, weerhouden (reteni)
zurückkehren*
1. teruggaan, terugkeren, teruglopen, terugtrekken, weer gaan (reiri)
Zurückkunft*
1. terugkeer, terugkomst, wederkeer, wederkomst (reveno)
zurücklassen*
1. laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten (lasi)
zurücklegen*
1. afdoen, afleggen, afzetten, uitdoen, uitkrijgen, uittrekken (demeti)
2. maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren (fari)
3. bergen, bewaren, opbergen, wegleggen, wegzetten (formeti)
4. doorkomen, doorma
zurückschrecken*
1. afschrikken, verjagen (fortimigi)
zurücksenden*
1. retourneren, terugbezorgen, terugsturen, terugwijzen (resendi)
zurückziehen*
1. hernemen, herroepen, terughalen, terugnemen (repreni)
2. intrekken, terugtrekken (retiri)
Zuruf*
1. oproep, oproeping, votum (alvoko)
zurufen*
1. aanroepen, oproepen, praaien (alvoki)
zur Welt bringen*
1. baren, bevallen, het leven schenken, teweegbrengen, voortbrengen (naski)
Zusage*
1. aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating (akcepto)
2. belofte, toezegging, uitloving (promeso)
zusagen*
1. beloven, toezeggen, uitloven, verzeggen (promesi)
zusammen*
1. aaneen, bijeen, ineen, samen, tezamen (kune)
zusammenballen*
1. agglomeren, doen samenklonteren, tot een geheel verenigen (aglomeri)
zusammenfallen*
1. samenvallen (koincidi)
zusammenfalten*
1. dichtvouwen, opvouwen, toevouwen (kunfaldi)
zusammenfassen*
1. resumeren, samenvatten (resumi)
zusammenfassend*
1. collectief, gemeenschappelijk, gezamenlijk (kolektiva)
Zusammenhang*
1. verbond (interligo)
2. betrekking, omgang, verband, verhouding, verkeer, verstandhouding (interrilato)
zusammenheilen*
1. agglutineren, doen samenkleven, samenplakken, verbinden (aglutini)
zusammenkommen*
1. bijeenkomen, samenkomen, vergaderen (kunveni)
Zusammenkunft*
1. bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering (kunveno)
zusammenlaufen*
1. convergeren, samenkomen, samenlopen (konverghi)
zusammenlegen*
1. plooien, vouwen, omvouwen (faldi)
zusammen mit*
1. met, samen met (kun)
zusammennehmen*
1. meevoeren (kunpreni)
zusammenrücken*
1. inschikken, inschuiven, zich verdichten (densighi)
Zusammenstellung*
1. akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting (arangho)
2. montage, zetting (muntado)
Zusammenstoß*
1. botsing (kunpushigho)
zusammentreffen*
1. samenvallen (koincidi)
2. bijeenkomen, samenkomen, vergaderen (kunveni)
zusammenziehen*
1. fronsen, samentrekken (kuntiri)
Zusatz*
1. aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging (aldono)
Zusatzsilbe*
1. aanhechtsel, affix (afikso)
Zuschauer*
1. beschouwer, kijker, toeschouwer (rigardanto)
Zuschlag*
1. aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging (aldono)
zuschlagen*
1. dichtslaan (klakfermi)
Zuschlag erteilen*
1. gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen (aljughi)
zuschließen*
1. op slot doen, sluiten, afsluiten (shlosi)
zuschneiden*
1. knippen (altranchi)
zuschreiben*
1. toedichten, toekennen, toeschrijven (atribui)
2. aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten (imputi)
Zuschuß*
1. aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging (aldono)
zusehen*
1. acht slaan op, letten op, opletten, oppassen, passen op (atenti)
zusehends*
1. zienderogen (videble)
zu sehr*
1. te, al te, te veel, te zeer (tro)
zusprechen*
1. gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen (aljughi)
Zuspruch*
1. aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing (admono)
Zustand*
1. situatie, stand, stand van zaken, toestand (situacio)
2. constellatie, gesteldheid, situatie, staat, stand, toestand (stato)
zu stande kommen*
1. gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden (farighi)
zustandekommen*
1. in vervulling gaan, verwezenlijkt worden (realighi)
zuständig*
1. bevoegd, competent, deskundig, vakkundig, zaakkundig (kompetenta)
zustellen*
1. aanreiken, overhandigen, ter hand stellen (enmanigi)
zustimmen*
1. goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen (konsenti)
zustopfen*
1. dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen (shtopi)
Zutat*
1. grondstof, materiaal, materieel (materialo)
zuteilen*
1. ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen (disdoni)
zuträglich*
1. batig, voordelig (profita)
zutrauen*
1. vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in (konfidi)
zutreffend*
1. goed, juist, recht (ghusta)
Zutritt*
1. heenweg (aliro)
zuverlässig*
1. betrouwbaar, vertrouwd (fidinda)
Zuversicht*
1. securiteit, stelligheid, vastheid, vastigheid, zekerheid (certeco)
2. fiducie, geloof, vertrouwen (fido)
3. vertrouwen (konfido)
zuversichtlich*
1. gewis, stellig, zeker, vast, vaststaand, verzekerd, wis (certa)
2. gewis, ontwijfelbaar, waaraan niet te twijfelen valt, zeker (senduba)
zu viel*
1. te, al te, te veel, te zeer (tro)
zuvor*
1. daarvoor, eerder, indertijd, vooraan, voorheen, vroeger, weleer (antaue)
zuvörderst*
1. in het bijzonder, inzonderheid, vooral (antau chio)
Zuvorkommenheit*
1. oplettendheid (atenteco)
zuweisen*
1. inzenden, toesturen, toezenden (alsendi)
Zuwiederhandlung*
1. tegenkanting, tegenwerking (kontrauagado)
2. dwarsdrijverij (kontrauago)
zuwilligen*
1. goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen (konsenti)
zuzählen*
1. aanrekenen, rekenen tot (alkalkuli)
zuzüglich*
1. bijgaand, ingesloten (aldonita)
2. met, samen met (kun)
3. benevens, mitsgaders, samen met (kune kun)
zu zweien*
1. getweeën, met zijn tweeën, onder vier ogen (duope)
Zwang*
1. dwang, obligo (devigo)
zwängen*
1. dringen, drukken, knellen, persen, pressen (premi)
zwanglos*
1. frank, ongegeneerd, ongedwongen, vrij, vrijmoedig, vrijpostig (senghena)
zwanzig*
1. twintig (dudek)
zwar*
1. bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker (certe)
2. immers, toch, wel, zeker (ja)
3. al, ofschoon, wel, hoewel, alhoewel (kvankam)
4. in naam, namelijk, te weten (nome)
Zweck*
1. doel, doelstelling, doelwit, honk, wit (celo)
zweckdienlich*
1. afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam (efika)
2. bevorderlijk, dienstig, nuttig (utila)
zweckmäßig*
1. doelmatig (laucela)
zwei*
1. twee (du)
zweibeinig*
1. tweevoetig (dupieda)
Zweibettzimmer*
1. tweepersoonskamer (dupersona chambro)
zweierlei*
1. tweeërlei (duspeca)
zweifach*
1. dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig (duobla)
zweifarbig*
1. tweekleurig (dukolora)
Zweifel*
1. twijfel, twijfeling (dubo)
zweifellos*
1. gewis, ontwijfelbaar, waaraan niet te twijfelen valt, zeker (senduba)
zweifeln*
1. dubben, in dubio staan, twijfelen (dubi)
zweifelsohne*
1. bepaald, ongetwijfeld, zeker (sendube)
Zweifler*
1. twijfelaar (dubemulo)
Zweiflügler*
1. tweevleugelige (diptero)
Zweig*
1. tak, aftakking (brancho)
Zweigniederlassung*
1. depot, filiaal (filio)
zweihändig*
1. tweehandig (dumana)
Zweimaster*
1. tweemaster (dumastulo)
zweischneidig*
1. tweesnijdend (dutrancha)
zweiteilig*
1. tweeledig (duparta)
zweitens*
1. ten tweede (due)
Zwerchfell*
1. diafragma, middenrif (diafragmo)
Zwerg*
1. dwerg (nano)
2. dwerg, pygmee (pigmeo)
Zwetsche*
1. pruim (pruno)
zwicken*
1. klemmen, nijpen, knijpen, tokkelen (pinchi)
Zwicker*
1. lorgnet, pince-nez (nazumo)
Zwieback*
1. biscuit (biskvito)
Zwiebel*
1. bol, <bol van een plant> (bulbo)
2. ui, ajuin (cepo)
Zwiegespräch*
1. dialoog, tweegesprek, tweespraak (dialogo)
Zwielicht*
1. halfdonker, schemer, schemerdonker, schemering (duonlumo)
Zwiespalt*
1. scheiding (disigho)
2. geschil, herrie, mot, onmin, ruzie, strijd, tweespalt (malpaco)
Zwietracht*
1. geschil, meningsverschil, onenigheid, weigering (malkonsento)
2. geschil, herrie, mot, onmin, ruzie, strijd, tweespalt (malpaco)
Zwillich*
1. tic, tijk, trekking (tiko)
Zwilling*
1. tweeling (dunaskitoj)
Zwinge*
1. schroef (enpremilo)
zwingen*
1. dwingen, noodzaken, verplichten (devigi)
Zwinger*
1. toren (turo)
zwinkern*
1. knipogen, knipperen, pinken, tintelogen (palpebrumi)
Zwirn*
1. draad, garen (fadeno)
zwischen*
1. onder, tussen (inter)
Zwischendeck*
1. tussendek (interferdeko)
zwischendurch*
1. daartussen (intere)
Zwischenfall*
1. aflevering, episode (epizodo)
Zwischenhandlung*
1. aflevering, episode (epizodo)
Zwischenstock*
1. tussenetage, tussenverdieping (interetagho)
Zwist*
1. geschil, herrie, mot, onmin, ruzie, strijd, tweespalt (malpaco)
zwitschern*
1. neuriën (kanteti)
2. kwetteren, piepen, sjilpen, tjilpen (pepi)
Zwitter*
1. hermafrodiet (hermafrodito)
zwölf*
1. twaalf (dek du)
Zyklon*
1. cycloon, wervelstorm (ciklono)
Zyklop*
1. cycloop (ciklopo)
Zylinder*
1. cilinder, rol (cilindro)
Zyniker*
1. cynicus (cinikulo)
zynisch*
1. cynisch (cinika)
Zypern*
1. Cyprus (Cipro)
Zypresse*
1. cipres (cipreso)
Zypriot*
1. Cyprioot (ciprano)
zyprisch*
1. Cypriotisch (cipra)
Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.







[Akilet]
[Aksios]
[Ilaros]
[Etymos]
[Kontakt]
[Forum]
[Neues]
XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003