Universal-Fach-Wörterbuch
Deutsch-Niederländisch
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
?
W
Waage*
1. balans, weegschaal, waag (pesilo)
Wabe*
1. raat, honingraat (chelaro)
wach*
1. wakend, wakker (maldorma)
2. druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker (vigla)
Wache*
1. bewaking, bewaring (gardado)
2. bewaking, hoede (gardo)
3. wacht, schildwacht (gardostaranto)
4. wake (maldormado)
Wachholder*
1. jeneverbes, jeneverbesstruik (junipero)
Wachs*
1. was (vakso)
wachsen*
1. gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen (kreski)
Wachskerze*
1. waskaars (vakskandelo)
Wachsleinwand*
1. tafelzeil, wasdoek, zeildoek, zwilk (vakstolo)
Wachstum*
1. groei, ontwikkeling, wasdom (kreskado)
Wacht*
1. bewaking, hoede (gardo)
Wachtel*
1. kwartel (koturno)
wackeln*
1. aarzelen, waggelen, wankelen, wiebelen, zwichten (shancelighi)
wacker*
1. braaf, dapper, eerlijk, ferm, flink, kranig, manhaftig, vriendelijk (brava)
Wade*
1. kuit (suro)
2. kuit (tibikarno)
Waffe*
1. wapen (batalilo)
Waffel*
1. oblie, wafel (vaflo)
Waffenstillstand*
1. wapenstilstand (batalhalto)
waffnen*
1. wapenen, bewapenen (armi)
Wagebalken*
1. juk, draagjuk (vekto)
Wagehals*
1. durfal, waaghals (riskemulo)
wagehalsig*
1. bedenkelijk, gewaagd, riskant, waaghalzerig (riska)
2. waaghalzig (riskema)
wagen*
1. kans lopen, op het spel zetten, risico lopen, riskeren, wagen (riski)
wägen*
1. het gewicht bepalen, wegen, afwegen (pesi)
Wagentür*
1. autodeur, portier (autopordo)
wagerecht*
1. horizontaal, platliggend, waterpas (horizontala)
Waggon*
1. spoorwagen, wagon (vagono)
Wagnis*
1. gewaagdheid, risico, waag, waagstuk (risko)
Wagon*
1. spoorwagen, wagon (vagono)
Wahl*
1. keur, keus, keuze, optie, verkiezing (elekto)
wählen*
1. kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken (elekti)
Wähler*
1. kiezer (elektanto)
wählerisch*
1. kieskeurig (elektema)
Wahlmann*
1. kiezer (elektanto)
Wahlspruch*
1. devies, leus, leuze, lijfspreuk, wapenspreuk, zinspreuk (devizo)
Wahn*
1. begoocheling, drogbeeld, illusie, waan, zinsbedrog (iluzio)
wähnen*
1. begoochelen, illusies wekken bij (iluzii)
2. dromen, mijmeren (revi)
Wahnsinn*
1. gekheid, zinneloosheid, zinsverbijstering (frenezeco)
wahnsinnig*
1. dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig (freneza)
wahr*
1. echt, eigenlijk, heus, waar, waarachtig (vera)
wahren*
1. behoeden, bewaren voor (antaugardi)
währen*
1. aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren (dauri)
während*
1. gedurende, onder, staande, terwijl, tijdens, voor (dum)
wahrhaft*
1. echt, eigenlijk, heus, waar, waarachtig (vera)
2. waarheidslievend (verema)
wahrhaftig*
1. echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk (vere)
Wahrheit*
1. waarheid (verajho)
2. waarheid, waarachtigheid (vereco)
3. waarheid (vero)
wahrlich*
1. echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk (vere)
wahrnehmen*
1. gewaar worden, merken, bemerken, vernemen, waarnemen (percepti)
Wahrnehmung*
1. aandoening, gewaarwording, waarneming (percepto)
Wahrsagung*
1. voorspelling, voorzegging (antaudiro)
2. omen, voorteken (auguro)
wahrscheinlich*
1. waarschijnlijk (vershajna)
2. allicht, vast, waarschijnlijk, wel, zeker (vershajne)
Wahrscheinlichkeit*
1. waarschijnlijkheid (probableco)
Wahrspruch*
1. judicium, sententie, uitspraak, vonnis (verdikto)
Währung*
1. muntsoort, valuta (valuto)
Waise*
1. weesmeisje (orfino)
2. wees, weesjongen (orfo)
Waisen-*
1. ouderloos (orfa)
Waisenhaus*
1. weeshuis (orfejo)
Waisenknabe*
1. wees, weesjongen (orfo)
Waisenmädchen*
1. weesmeisje (orfino)
Wald*
1. bos, woud (arbaro)
Waldrebe*
1. clematis (klemato)
waldreich*
1. bosrijk (arbarricha)
Wales*
1. Wales (Kimrujo)
Walfisch*
1. walvis (baleno)
Wall*
1. bastion, bolwerk, wal, omwalling, vestingwal (remparo)
wallen*
1. borrelen, koken, op het kookpunt zijn, zieden (boli)
2. golven (ondi)
3. golven (ondighi)
Wallfahrt*
1. bedevaart, pelgrimage, pelgrimstocht (pilgrimado)
wallfahrten*
1. een pelgrimstocht maken (pilgrimi)
Wallonien*
1. Wallonië (Valonujo)
Walnuß*
1. okkernoot, walnoot (juglando)
Walrat*
1. spermaceet, walschot (spermaceto)
Walroß*
1. walrus (rosmaro)
walten*
1. beschikken over, disponeren (disponi)
Walze*
1. cilinder, rol (cilindro)
2. rol (rulo)
walzen*
1. walsen (valsi)
wälzen*
1. rollen, wentelen (ruli)
Walzer*
1. wals (valso)
Wams*
1. borstrok, buis, kamizool, wambuis (kamizolo)
Wand*
1. muur, wand (muro)
2. schot, beschot, schut, tussenschot, wand (vando)
Wandbrett*
1. plank, schap (breto)
Wandelgang*
1. wandelgang (ambulatorio)
2. gaanderij, galerie, galerij, gang, trans (galerio)
Wanderer*
1. trekker (migranto)
Wanderkarte*
1. wandelkaart (promenmapo)
wanderlustig*
1. migrerend, trekkend, rondtrekkend (migrema)
wandern*
1. rondreizen, trekken, rondtrekken, zwerven (migri)
Wanderschaft*
1. migratie, trek, trektocht (migrado)
Wanderung*
1. migratie, trek, trektocht (migrado)
Wange*
1. kaak, koon, wang (vango)
wankend machen*
1. doen schudden, doen wankelen, verwikken, verwrikken (shanceli)
Wanne*
1. bak, kuip, teil, tobbe (kuvo)
Wanze*
1. wandluis (cimo)
Wappen*
1. blazoen, wapen, familiewapen, stamwapen, wapenschild (blazono)
2. blazoen, insigne, wapen (insigno)
Wappenkunde*
1. heraldiek, wapenkunde (heraldiko)
Wappenschild*
1. blazoen, wapenschild (blazonshildo)
Ware*
1. waar, handelswaar, koopwaar (komercajho)
Warenhaus*
1. bazaar, markt, marktplaats, marktplein (bazaro)
2. magazijn, pakhuis (magazeno)
Warenrechnung*
1. factuur, nota, rekening, warenlijst (fakturo)
warm*
1. warm (varma)
Wärme*
1. warmte (varmo)
wärmen*
1. verhitten, warmen, verwarmen (varmigi)
warnen*
1. waarschuwen (averti)
Warnung*
1. tip, waarschuwing (averto)
Warschau*
1. Warschau (Varsovio)
Warte*
1. kraaienest, uitkijk, uitkijkpost, waarnemingspost (observejo)
warten*
1. afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten (atendi)
2. verplegen, verzorgen, zorgen voor (flegi)
3. oppassen, verzorgen (varti)
Warteraum*
1. wachtkamer (atendejo)
Wärterin*
1. kinderjuffrouw, kindermeisje, verzorgster (vartistino)
Wartesaal*
1. wachtkamer (atendejo)
Warze*
1. wrat (veruko)
was*
1. wat (kio[1])
Waschanstalt*
1. wasserij (lesivejo)
Wäsche*
1. lijfgoed, ondergoed (subvestaro)
2. ondergoed, onderkleding (subvestoj)
3. linnen, linnengoed, pellengoed (tolajho)
waschen*
1. de was doen, wassen, uitwassen (lavi)
2. de was doen, logen, wassen (lesivi)
Wäscher*
1. wasbaas, wasman, wasser (lavisto)
Wäscheschrank*
1. linnenkast (tolajhoshranko)
Waschfaß*
1. fonteintje, spoelbak, spoelkom, wastobbe (lavujo)
Waschfrau*
1. wasvrouw (lavistino)
Waschleder*
1. gemsleer, gemzeleer, zeem (shamo)
Waschmaschine*
1. wasmachine (lavmashino)
Wasser*
1. water (akvo)
Wasserbecken*
1. bassin, kom, stroomgebied, vijver (baseno)
Wasserfall*
1. waterval (akvofalo)
2. waterval (kaskado)
Wasserflut*
1. cataclysme, grote natuurramp (kataklismo)
Wasserfrei*
1. anhydrisch, watervrij (anhidra)
Wasserholder*
1. sneeuwbal (viburno)
Wasserhose*
1. hoos, trombus, waterhoos (trombo)
Wasserjungfer*
1. juffertje, libel, waterjuffer (libelo)
Wassermelone*
1. watermeloen (akvomelono)
Wassermeßkunst*
1. watermeter, waterdrukmeter (hidrometrio)
Wassermühle*
1. watermolen (akvomuelilo)
wasserscheu*
1. waterschuw (akvotima)
Wassersnot*
1. watergebrek (akvomanko)
Wasserstoff*
1. waterstof (hidrogeno)
Wasserstraße*
1. waterweg (akvovojo)
Wassersucht*
1. waterzucht (hidropso)
Wasserwaage*
1. waterpas (nivelilo)
waten*
1. flodderen, plassen, waden (vadi)
Watte*
1. watten (vato)
wattieren*
1. watteren (vati)
weben*
1. weven (teksi)
Weberei*
1. weverij (teksejo)
Webstuhl*
1. weefgetouw (teksilo)
Wechsel*
1. inwisseling, ruil, omruiling, uitwisseling, verruiling (intershangho)
2. cambio, wissel (kambio)
3. keer, kentering, verandering, verloop (shanghigho)
4. keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling (shangho)
Wechselfieber*
1. anderdaagse koorts (intermita febro)
wechseln*
1. veranderen, vermaken, wisselen (shanghi)
wechselseitig*
1. onderling, wederkerig, wederzijds (reciproka)
2. over en weer (reciproke)
Wechsler*
1. wisselaar, geldwisselaar (monshanghisto)
wecken*
1. wakker maken, wekken, opwekken (veki)
Wecker*
1. wekker (vekhorlogho)
Wedel*
1. staart (vosto)
wedeln*
1. waaien, frisse lucht toewaaien, wannen (ventumi)
weder ... noch*
1. noch ... noch (nek ... nek)
weg*
1. heen, over, vandoor, verwijderd, voort, weg (for)
wegbegeben*
1. wegtrekken, wegvallen, zich wegscheren (forighi)
wegbringen*
1. afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen (forigi)
2. afleiden, laten afvloeien, wegleiden, wegvoeren (forkonduki)
Wegelagerer*
1. rover (rabisto)
wegen*
1. naar aanleiding van, vanwege, wegens (kauze de)
2. door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens (pro)
3. bedillen, haarkloven, het lastig maken, muggeziften, vitten (chikani)
wegen nichts*
1. nergens om, om geen enkele reden, zomaar, zonder reden (nenial)
Wegerich*
1. weegbree (plantago)
wegfangen*
1. kapen (kaperi)
wegjagen*
1. uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen (forpeli)
wegnehmen*
1. afnemen, afpakken, weghalen, wegnemen (forpreni)
wegschaffen*
1. afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken (elimini)
wegschicken*
1. afzenden, uitsturen, versturen, verzenden, wegsturen, wegzenden (forsendi)
wegtragen*
1. uitdragen, wegbrengen, wegdragen (forporti)
Wegweiser*
1. wegwijzer (vojmontrilo)
wegwerfen*
1. vergooien, weggooien, wegwerpen (forjheti)
weh*
1. ach, wee (ve)
wehe*
1. ach, wee (ve)
wehen*
1. blazen, waaien (blovi)
wehe tun*
1. pijn doen, zeer doen (dolori)
wehklagen*
1. kermen, zuchten (ghemi)
Wehmut*
1. droefgeestigheid, melancholie, weemoed, zwaarmoedigheid (melankolio)
wehmütig*
1. droefgeestig, melancholiek, weemoedig, zwaarmoedig (melankolia)
Wehr*
1. afweer, defensie, verdediging, weer, verweer (defendo)
2. dijk, waterkering (digo)
Weib*
1. wijf (fivirino)
2. feeks, furie, haaibaai, helleveeg, megera, tang, wijf, xantippe (megero)
3. wijf (virinacho)
4. vrouw (virino)
Weiblichkeit*
1. vrouwelijkheid (virineco)
weich*
1. mals, murw, week, zacht (mola)
Weiche*
1. lies (ingveno)
2. wissel (relshanghilo)
weichen*
1. afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten (cedi)
Weichheit*
1. malsheid, weekheid, zachtheid (moleco)
Weichselzopf*
1. Poolse vlecht (pliko)
Weide*
1. beemd, wei, weide, weidegrond, weiland (pashtejo)
2. wilg (saliko)
weiden*
1. laten grazen, weiden (pashti)
2. grazen, weiden (pashti sin)
Weiderich*
1. kattestaart (salikario)
Weidmann*
1. jager (chasisto)
Weidwerk*
1. jacht (chasado)
weigern*
1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)
Weigerung*
1. afwijzing, weigering (rifuzo)
Weihbischof*
1. suffragaan (sufragano)
Weihbrot*
1. hostie (hostio)
Weihe*
1. wouw (milvo)
2. heiliging (sanktigo)
weihen*
1. opdragen, spanderen, spenderen, toewijden (dedichi)
2. heiligen (sanktigi)
Weiher*
1. kolk, vijver, waterplas (lageto)
Weihnachten*
1. Kerstmis (Kristnasko)
Weihrauch*
1. wierook (incenso)
Weihwedel*
1. sproeier, wijwaterkwast (aspergilo)
weil*
1. aangezien, daar, doordat, omdat (pro tio ke)
2. aangezien, daar, omdat, vermits (tial ke)
3. aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl (char)
Weile*
1. duur, tijdsduur (dauro)
weilen*
1. plakken, resideren, verblijf houden, vertoeven, wijlen, verwijlen (restadi)
Wein*
1. wijn (vino)
Weinberg*
1. wijnberg, wijngaard (vitejo)
weinen*
1. huilen, krijten, schreien, wenen (plori)
Weinküfer*
1. kuiper (barelisto)
Weinstock*
1. wijnstok, wingerd (vito)
Weintraube*
1. druif (vinbero)
weise*
1. verstandig, vroed, wijs (sagha)
Weisel*
1. bijenkoningin, wijfjesbij (abelreghino)
weisen*
1. aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden (indiki)
2. laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen (montri)
Weisheit*
1. wijsheid (sagheco)
2. wijsheid (sagho)
weiß*
1. wit (blanka[1])
2. blank (blanka[2])
weissagen*
1. profeteren, voorspellen, voorzeggen (profeti)
Weißbuche*
1. haagbeuk (karpeno)
Weißdorn*
1. haagdoorn, hagedoorn, meidoorn (kratago)
weißen*
1. bleken, wit maken, witten (blankigi)
Weißling*
1. wijting (merlango)
Weisung*
1. aanwijzing, consigne, instructie (instrukcio)
2. bevel, bevelschrift, gebod, order, sommatie, verordening (ordono)
weit*
1. breed, wijd (largha)
2. afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd (malproksima)
3. achteraf, afgelegen, ver (malproksime)
4. breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd (vasta)
Weite*
1. afstand, eind (distanco)
2. afstand, distantie (malproksimeco)
3. ruimheid, uitgebreidheid, uitgestrektheid, wijdte (vasteco)
weiter*
1. verder, verderop (pli malproksime)
2. langer, meer (plu)
3. bovendien, daarenboven, verder, voorts (plue)
weitläufig*
1. langdurig, langlopend (longedaura)
Weizen*
1. tarwe, weit (tritiko)
welk*
1. verdord (velkinta)
welken*
1. kwijnen, verdorren, verflensen, verleppen, verwelken (velki)
Welle*
1. baar, golf, gulp (ondo)
2. as, drijfas (shafto)
wellig*
1. golvend (onda)
Welt*
1. aardrijk, wereld (mondo)
Weltall*
1. heelal, schepping, universum (universo)
weltbekannt*
1. wereldberoemd, wereldvermaard (mondfama)
Weltkrieg*
1. wereldoorlog (mondmilito)
weltlich*
1. wereld- (monda)
Weltmeer*
1. oceaan, wereldzee (oceano)
wem*
1. waaraan, wie, aan wie (al kiu)
Wende*
1. draai, draaiing, keer, wending, wieling, zwenk, zwenking (turnigho)
2. draai, gier, keer, slag, wending, zwaai, zwenk, zwenking (turno)
3. draaipunt, keerpunt (turnpunkto)
Wendekreis*
1. keerkring (tropiko)
wenden*
1. draaien, keren, omdraaien, ronddraaien, wenden, wentelen, zwenken (turni)
Wendung*
1. draai, draaiing, keer, wending, wieling, zwenk, zwenking (turnigho)
2. draai, gier, keer, slag, wending, zwaai, zwenk, zwenking (turno)
wenig*
1. gering, luttel, weinig (malmulta)
2. weinig (malmulte da)
weniger*
1. min, minder (malpli)
wenigst*
1. minst (plej malmulta)
wenigstens*
1. althans, tenminste (almenau)
wenn*
1. als, indien, ingeval, wanneer (se)
wenn auch*
1. al, ofschoon, wel, hoewel, alhoewel (kvankam)
werben*
1. koppelen (svati)
2. aanbrengen, werven, aanwerven (varbi)
Werbung*
1. aanmonstering, acquisitie, werving (varbado)
werden*
1. worden (esti[3])
2. ontstaan, opkomen, worden (estighi)
3. gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden (farighi)
4. raken, worden (ighi)
werfen*
1. gooien, keilen, uitspelen, werpen (jheti)
Werft*
1. helling, stapel, werf, scheepswerf (shipkonstruejo)
Werg*
1. pluis, werk (stupo)
Werk*
1. aangelegenheid, affaire, ding, zaak (afero)
2. geschrift, opus, pennevrucht, werk, boekwerk, kunstwerk (verko)
Werkmeister*
1. meesterknecht, uitvoerder, werkbaas, werkmeester (laborestro)
Werkstatt*
1. atelier, werkplaats (laborejo)
2. werkplaats (metiejo)
Werkstuhl*
1. bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank (stablo)
Werktag*
1. weekdag, werkdag (labortago)
Werkzeug*
1. middel, werktuig (ilo)
2. instrument, werktuig (instrumento)
Wermut*
1. vermout (vermuto)
Werst*
1. werst (versto)
-wert*
1. -waardig (-inda)
wert*
1. eerzaam, waar, waardig (inda)
2. duur, prijzig (kara[2])
wertlos*
1. nietswaardig, voos, waardeloos (senvalora)
Wertpapier*
1. effect, fonds, waardepapier (bilo)
wertschätzen*
1. hechten aan, houden van, mogen, waarderen (shati)
wert sein*
1. lonen, waard zijn (valori)
wertvoll*
1. waard, waardevol (valora)
Wesel*
1. Wezel (Vezelo)
Wesen*
1. essence, essentie, kern, wezen, wezenheid (esenco)
2. wezen (estajho)
wesentlich*
1. essentieel, in essentie, in wezen, wezenlijk (esence)
Weser*
1. Wezer (Vezero)
weshalb*
1. waarvoor (pro kio)
Wesier*
1. vizier (veziro)
Wespe*
1. wesp (vespo)
wessen*
1. van wie, wiens, wier, wie d'r, wie z'n (kies)
Weste*
1. vest, herenvest (veshto)
Westen*
1. west, westen (okcidento)
2. westen (uesto)
westlich*
1. westelijk, Westers, westers (okcidenta)
weswegen*
1. waarvoor (pro kio)
Wettbewerb*
1. concours, match, wedstrijd (konkurso)
Wette*
1. weddenschap (veto)
Wetteifer*
1. mededinging, wedijver (konkuro)
wetteifern*
1. concurreren, meedingen, wedijveren (konkuri)
wetten*
1. wedden (veti)
Wetter*
1. weder, weer, weersomstandigheden (vetero)
Wetterkunde*
1. metrologie (metrologio)
wetterleuchten*
1. bliksemen, flikkeren, flitsen (fulmi)
wetterwendisch*
1. onbestendig, veranderlijk, vlinderachtig, wispelturig (shanghighema)
wettrennen*
1. racen (vetkuri)
wetzen*
1. aanzetten, slijpen, scherpen, verhevigen, wetten (akrigi)
Whisky*
1. whisky (viskio)
Whist*
1. whist (visto)
Wichse*
1. schoencrème, schoensmeer (ciro)
wichsen*
1. poetsen, schoenpoetsen (ciri)
Wicht*
1. ellendeling, smeerlap (malnoblulo)
wichtig*
1. belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig (grava)
Wicke*
1. wikke (vicio)
Wickel*
1. windsel (vindo)
wickeln*
1. baken, inbakeren, inzwachtelen, omwikkelen (vindi)
2. oprollen, strengelen, wikkelen, winden (volvi)
Widder*
1. ram (virshafo)
wider*
1. jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus (kontrau)
widerhaarig*
1. balsturig (kontraustarema)
Widerhall*
1. echo, nagalm, naklank, weerklank (ehho)
2. nagalm, weergalm, weerklank (resono)
Widerlegung*
1. ontzenuwing, tegenbewijs, weerlegging (refuto)
widerlich*
1. onaangenaam, onplezierig (malplacha)
widernatürlich*
1. tegennatuurlijk (kontraunatura)
Widerpart*
1. tegenspeler, tegenstander (kontrauulo)
Widerrede*
1. tegenspraak, tegenwerping (kontraudiro)
widerrufen*
1. terugroepen (revoki)
Widersacher*
1. tegenspeler, tegenstander (kontrauulo)
Widerschein*
1. weerglans, weerschijn (rebrilo)
widersinnig*
1. absurd, dwaas, ongerijmd, onzinnig, zinneloos, zot (absurda)
2. onzinnig, zinledig, zinloos (sensenca)
widerspenstig*
1. ongehoorzaam, ongezeglijk (malobeema)
2. oproerig, opstandig, rebels, weerspannig (ribela)
widersprechen*
1. in tegenspraak zijn met, tegenspreken, tegenwerpen (kontraudiri)
2. tegenspreken (kontrauparoli)
Widerstand*
1. tegenkanting, tegenstand, tegenweer, verzet (kontraustaro)
Widerstreit*
1. conflict (konflikto)
widerwärtig*
1. strijdig, tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig (kontraua)
widmen*
1. opdragen, spanderen, spenderen, toewijden (dedichi)
Wiedehopf*
1. hop (upupo)
wieder*
1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer (denove)
2. her-, re-, terug-, weer- (re-)
3. nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer (ree)
wieder-*
1. her-, re-, terug-, weer- (re-)
wiederbringen*
1. terugbrengen (reporti)
Wiedergabe*
1. teruggave (redono)
wiedergeben*
1. hergeven, reproduceren, teruggeven, vergelden, weergeven (redoni)
wiederherstellen*
1. beter maken, genezen, helen (resanigi)
2. herstellen (restarigi)
wiederholen*
1. herhalen, doornemen, nazeggen (ripeti)
wiederholt*
1. nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer (ree)
Wiederholung*
1. herhaling, repetitie (ripetado)
2. herhaling, repetitie (ripeto)
Wiederkehr*
1. terugkeer, terugkomst, wederkeer, wederkomst (reveno)
wiederlegen*
1. ontzenuwen, weerleggen (refuti)
wiedersehen*
1. terugzien, reviseren, terugzien, weerzien (revidi)
wiederspenstig*
1. oproerig, opstandig (ribelema)
wiederstandsfähig*
1. gevestigd, hecht, stevig, vast (firma)
2. ferm, fors, hecht, potig, robuust, sterk, stevig, stoer, struis (fortika)
Wiedertäufer*
1. wederdoper (anabaptisto)
wiederwärtig*
1. afkeer inboezemend, antipathiek (antipatia)
2. akelig, naar, onaangenaam, verdrietelijk, vervelend (malagrabla)
Wiederwillen*
1. afkeer, antipathie, hekel, tegenzin (antipatio)
Wiege*
1. wieg (lulilo)
wiegen*
1. wiegen (luli)
2. het gewicht bepalen, wegen, afwegen (pesi)
3. wegen, zwaar zijn (pezi)
Wien*
1. Wenen (Vieno)
Wiener*
1. Wener (vienano)
Wiese*
1. beemd, grasland, wei, weide, weiland (herbejo)
2. beemd, wei, weide, weidegrond, weiland (pashtejo)
Wiesel*
1. wezel (mustelo[2])
wild*
1. wild, woest (sovagha)
Wildbret*
1. buit, wild (chasajho)
Wilder*
1. wilde, wildeman (sovaghulo)
Wilderer*
1. stroper, wilddief (shtelchasisto)
Wildheit*
1. wildheid, woestheid (sovagheco)
Wildnis*
1. wildernis, woestenij, woestijn (dezerto)
2. wildheid, woestheid (sovagheco)
3. wildernis (sovaghejo)
Wildschwein*
1. ever, everzwijn, wild zwijn (apro)
Wille*
1. wil, zin (volo)
willenlos*
1. onwillekeurig, willoos (senvola)
Willenskraft*
1. arbeidsvermogen, energie, fut, spirit, veerkracht, wilskracht (energio)
willfahren*
1. de goedheid hebben, ter wille zijn, zo goed willen zijn (komplezi)
willig*
1. gewillig, vrijwillig (memvola)
Willkommen*
1. welkomst (bonveno)
Willkür*
1. willekeur (arbitro)
Willkürherrschaft*
1. dwingelandij, despotisme (despotismo)
willkürlich*
1. arbitrair, eigenmachtig, willekeurig (arbitra)
wimmeln*
1. krielen, krioelen, wemelen, wriemelen, zwermen (svarmi)
wimmern*
1. grienen (ploreti)
2. kermen, zuchten (ghemi)
Wimpel*
1. wimpel (flagrubando)
Wimper*
1. ooghaar, wimper (okulharo)
Wind*
1. wind (vento)
Winde*
1. hefboom, koevoet, spaak, zwengel (levilo)
winden*
1. vlechten (plekti)
2. twijnen, verbuigen, verdraaien, vertrekken, wringen, verwringen (tordi)
windig*
1. ongegrond, winderig (venta)
Windstille*
1. windstilte (senventeco)
Windstrick*
1. rumba, streek, kompasstreek, windstreek (rumbo)
Wink*
1. knipoogje (okulsigno)
2. bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk (signo)
Winkelmaß*
1. tekendriehoek, winkelhaak (angulilo)
winken*
1. wenken (fari signon)
winseln*
1. janken, piepen (krieti)
Winter-*
1. winter-, winterachtig (vintra)
winterlich*
1. winter-, winterachtig (vintra)
winzig*
1. miniem, piepklein (malgrandega)
Wipfel*
1. kroon, kruin, top, topje (supro)
Wippe*
1. schommel (balancilo)
wir*
1. ons, we, wij (ni)
Wirbel*
1. wervel (vertebro)
Wirbel-*
1. gewerveld (vertebra)
Wirbelbein*
1. wervel (vertebro)
Wirbelknochen*
1. wervel (vertebro)
Wirbeln*
1. draaiing, gedraai (turnighado)
Wirbelsäule*
1. ruggegraat, wervelkolom (vertebraro)
Wirbelwind*
1. cycloon, wervelstorm (ciklono)
2. hoos, trombus, waterhoos (trombo)
wirken*
1. ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan (agi)
2. effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken (efiki)
3. weven (teksi)
wirklich*
1. effectief, werkelijk, daadwerkelijk (efektiva)
2. feitelijk, werkelijk (fakta)
3. reëel, werkelijk, daadwerkelijk, wezenlijk (reala)
4. echt, inderdaad, naar waarheid, waarachtig, waarlijk, werkelijk (vere)
Wirklichkeit*
1. realiteit, werkelijkheid, wezenheid, wezenlijkheid (realeco)
Wirksamkeit*
1. inwerking (efikado)
2. effect, werking, uitwerking (efiko)
3. functie (funkcio)
Wirkung*
1. effect, indruk (efekto)
Wirrsal*
1. verwardheid, verwarring (konfuzo)
Wirsing*
1. savooiekool (sabeliko)
Wirt*
1. herbergier, logementhouder, waard (gastejestro)
2. baas, heer, meester, patroon (mastro)
Wirtschaft*
1. economie, spaarzaamheid, volkshuishoudkunde, zuinigheid (ekonomio)
2. herberg, logement (gastejo)
3. huishouden, huishouding, menage (mastrumado)
wirtschaften*
1. beheren, besturen, huishouden (mastrumi)
Wirtschaftkundiger*
1. econoom (ekonomo)
wirtschaftlich*
1. economisch, spaarzaam, zuinig (ekonomia)
Wirtshaus*
1. herberg, logement (gastejo)
wischen*
1. afdrogen, vegen, afvegen, wissen, afwissen (vishi)
Wischtuch*
1. droogdoek, afdroogdoek, stofdoek (vishtuko)
Wisent*
1. wisent (europa bizono)
Wismut*
1. bismut (bismuto)
Wißbegier*
1. nieuwsgierigheid, weetgierigheid (sciavido)
2. nieuwsgierigheid (scivolemo)
wissen*
1. weten (scii)
Wissenschaft*
1. wetenschap (scienco)
2. kennis, kunde, medeweten, verstand, weten (scio)
wissenschaftlich*
1. wetenschappelijk (scienca)
wissentlich*
1. bewust, welbewust (konscia)
wittern*
1. ruiken (flari)
Witterung*
1. temperatuur (temperaturo)
2. weder, weer, weersomstandigheden (vetero)
Wittum*
1. weduwnaarschap, weduwnaarstaat (vidveco)
Witwe*
1. weduwe (vidvino)
Witwer*
1. weduwnaar (vidvo)
Witz*
1. geestigheid, kwinkslag, mop, ui (spritajho)
witzig*
1. ad rem, geestig, gevat, snedig (sprita)
Witzigkeit*
1. geestigheid, snedigheid (spriteco)
wo*
1. waar (kie[1])
wobei*
1. waarbij (che kio)
Woche*
1. week (semajno)
Wochenschrift*
1. weekblad (semajna gazeto)
2. weekblad (semajna revuo)
Wochentag*
1. weekdag, werkdag (labortago)
wöchentlich*
1. wekelijks (chiusemajna)
wodurch*
1. waardoor, waarmee (per kio)
2. waardoor (tra kio)
wofern*
1. als, indien, ingeval, wanneer (se)
wofür*
1. waartoe, waarvoor (por kio)
Woge*
1. golfslag, zee (ondego)
2. baar, golf, gulp (ondo)
wogegen*
1. waartegen (kontrau kio)
wogen*
1. golven (ondi)
2. golven (ondighi)
woher*
1. van waar, waarvandaan, waar ... vandaan (de kie)
wohl*
1. bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker (certe)
2. misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht (eble)
3. immers, toch, wel, zeker (ja)
4. waarschijnlijk (kredeble)
5. niet minder dan, wel (ne malpli ol)
6. allicht,
wohlbeleibt*
1. corpulent, gezet, zwaarlijvig (korpulenta)
Wohlfahrt*
1. welvaart, welzijn (bonstato)
Wohlgefallen*
1. genoegen, plezier, pret, vermaak (plezuro)
wohlgemeint*
1. welgemeend (bonintenca)
wohlgemut*
1. goedgehumeurd, goedgeluimd (bonhumora)
Wohlgeruch*
1. heerlijke geur (bonodoro)
Wohlgeschmack*
1. smaak, goede smaak (bongusto)
wohlgestaltet*
1. welgevormd (belforma)
wohlhabend*
1. bemiddeld, gegoed, gezeten, welgesteld (bonhava)
Wohlklang*
1. eendracht, harmonie, samenklank (harmonio)
wohlriechend*
1. geurig, welriekend (bonodora)
Wohlsein*
1. gezondheid, goede gezondheid, wel, welstand, welvaren, welzijn (bonfarto)
Wohlstand*
1. welvaart, welzijn (bonstato)
Wohltat*
1. weldaad (bonfaro)
Wohltäter*
1. weldoener (bonfaranto)
Wohlwollen*
1. liefheid, voorkomendheid, vriendelijkheid (afableco)
2. affectie, genegenheid, goodwill, welwillendheid (bonvolo)
wohnen*
1. gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen (loghi)
Wohnhaus*
1. kwartier, logies, onderkomen, woning (loghejo)
wohnlich*
1. comfortabel, gemakkelijk, geriefelijk, gerieflijk, welbehaaglijk (komforta)
Wohnort*
1. domicilie, woonplaats (domicilo)
2. woonplaats (loghloko)
Wohnsitz*
1. domicilie, woonplaats (domicilo)
Wohnung*
1. kwartier, logies, onderkomen, woning (loghejo)
Wohnzimmer*
1. huiskamer (familia chambro)
2. huiskamer, woonkamer, zitkamer (loghochambro)
Woiwod*
1. stadhouder, woiwode (vojevodo)
Wolf*
1. wolf (lupo)
Wölfin*
1. wolvin (lupino[1])
2. lupine (lupino[2])
Wolfram*
1. wolfraam (volframo)
Wolga*
1. Wolga (Volgo)
Wolke*
1. wolk (nubo)
Wolken-*
1. bewolkt, onduidelijk (nuba)
wolkig*
1. bewolkt, onduidelijk (nuba)
Wolle*
1. wol (lano)
wollen*
1. willen (voli)
Wollust*
1. geilheid, lust, wellust (volupto)
womit*
1. met wat, waarmee (kun kio)
2. waardoor, waarmee (per kio)
wonach*
1. waarachter, waarna, waarop (post kio)
Wonne*
1. geilheid, lust, wellust (volupto)
2. vreugde (ghojego)
3. wellust (ghuego)
wonnig*
1. zalig (agrablega)
woraus*
1. van wat, waarvan (de kio)
2. waaruit (el kio)
worin*
1. waarin (en kio)
2. waarin, waarop (en kiu)
Wort*
1. spraak, spreken (parolo)
2. term, vakterm (termino)
3. woord, bewoording (vorto)
wortbrüchig*
1. dubbelhartig, trouweloos, verraderlijk (perfida)
Wörterbuch*
1. woordenboek (vortaro)
Wörterverzeichnis*
1. woordenlijst (vortlisto)
wörtlich*
1. letterlijk, woordelijk (lauvorta)
2. naar de letter, woordelijk (lauvorte)
wortlos*
1. sprakeloos (senvorta)
Wortspiel*
1. woordenspel, woordspeling (vortludo)
Wortstreit*
1. debat (debato)
Wortwechsel*
1. dispuut, kwestie, strijd, twist, redetwist, twistgesprek (disputo)
worüber*
1. waaromtrent, waarover (pri kio)
2. waarboven (super kio)
worunter*
1. waaronder (sub kio)
Wotan*
1. Wodan (Vodano)
wovon*
1. van wat, waarvan (de kio)
wovor*
1. waarvoor (antau kio)
wozu*
1. waaraan (al kio)
2. waartoe, waarvoor (por kio)
Wrack*
1. wrak, scheepswrak (shipruino)
Wucher*
1. woekerrente (procentego)
wuchern*
1. in tweedehands goederen handelen (brokanti)
Wuchs*
1. groei, ontwikkeling, wasdom (kreskado)
2. aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename (kresko)
Wucht*
1. wicht, gewicht, zwaarte (pezo)
wühlen*
1. graven, spitten, woelen (fosi)
Wulst*
1. bobbel, bult, gezwel, zwelling, opzwelling (shvelajho)
wund*
1. gewond (vundita)
Wundarzenei-Kunst*
1. chirurgie, heelkunde, wondheelkunde (hhirurgio)
Wundarzt*
1. chirurg, heelmeester (hhirurgo)
Wunde*
1. blessure, kwetsuur, wond, verwonding (vundo)
Wunder*
1. mirakel, wonder (miraklo)
2. mirakel, wonder (mirindajho)
3. bevreemding, verbaasdheid, verwondering (miro)
wunderbar*
1. bewonderenswaardig (admirinda)
2. beeldschoon, kostelijk, magnifiek, prachtig (belega)
3. verwonderend, wonderbaar, wonderbaarlijk, wonderlijk (mirinda)
wunderlich*
1. grillig, grotesk, potsierlijk (groteska)
2. eigenaardig, gek, raar, vreemd, vreemdsoortig, wonderlijk (stranga)
Wunderling*
1. buitenbeentje, kwibus, rare snuiter, snoeshaan, zonderling (strangulo)
Wundertat*
1. mirakel, wonder (miraklo)
Wundfieber*
1. wondkoorts (vundfebro)
wundstoßen*
1. blutsen, kneuzen (kontuzi)
Wunsch*
1. begeerte, lust, verlangen, wens, zin, zucht (deziro)
wünschen*
1. begeren, trek hebben in, verkiezen, verlangen, wensen (deziri)
Würde*
1. waardigheid, zelfgevoel, zelfrespect (digno)
2. eerzaamheid, waardigheid (indeco)
3. graad, rang, stand, status (rango)
würdig*
1. eerzaam, waar, waardig (inda)
würdigen*
1. hechten aan, houden van, mogen, waarderen (shati)
Wurf*
1. gooi, worp (jheto)
Würfel*
1. blok, derde macht, dobbelsteen, klontje, kubus (kubo)
2. dobbelsteen, teerling (jhetkubo)
Wurfscheibe*
1. discus, plaat, grammofoonplaat, schijf (disko)
Wurm*
1. worm, wurm (vermo)
Wurst*
1. beuling, worst (kolbaso)
Würze*
1. kruid, kruiderij, specerij (spico)
Wurzel*
1. stam, wortel (radiko)
Wurzel-*
1. radicaal (radika)
würzen*
1. kruiden (spici)
wüste*
1. doods, eenzaam, uitgestorven, verlaten, woest (dezerta)
Wüstling*
1. boemelaar, brasser, losbol, sjap, zwabber, zwierbol (dibochulo)
2. wellusteling (voluptulo)
Wut*
1. razernij, woede (furiozo)
2. best-seller, furore (furoro)
3. woede (kolerego)
wütend*
1. dol, doldriftig, verwoed, woedend, woest (furioza)
Wüterich*
1. dwingeland, geweldenaar, tiran (tirano)
Wyk*
1. Wijk (Viko[2])
Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.







[Akilet]
[Aksios]
[Ilaros]
[Etymos]
[Kontakt]
[Forum]
[Neues]
XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003