Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)V

Vagabund*

1. zwerver (vagisto)

vagabundieren*

1. omzwerven, zwalken, zwerven (vagadi)

vagieren*

1. dolen, dwalen, ronddolen, ronddwalen, waren, zwerven (vagi)

vakant sein*

1. openstaan, vacant zijn, vaceren, vakant zijn (vaki)

Valet*

1. afscheid, vaarwel (adiauo)

valid*

1. gangbaar, geldend, geldig, vigerend (valida)

Valuta*

1. muntsoort, valuta (valuto)

Vampir*

1. bloedzuiger, uitzuiger, vampier (vampiro)

Vampyr*

1. bloedzuiger, uitzuiger, vampier (vampiro)

Vanille*

1. vanille (vanilo)

Variante*

1. lezing, variant (varianto)

Variation*

1. afwisseling, variatie, variëteit (vario)

Varietät*

1. diversiteit, verscheidenheid, verschot (diverseco)

Vasall*

1. leenman, vazal (vasalo)

Vase*

1. pot, pul, vaas, vat (vazo)

Vaselin*

1. vaseline (vazelino)

Vaseline*

1. vaseline (vazelino)

Vater*

1. vader (patro[1])

Väterchen*

1. pa, papa, pappa, pappie, vaartje (pachjo)

Vaterland*

1. vaderland (patrolando)
2. vaderland (patrujo)

Vatikan*

1. Vaticaan (Vatikano)

Vechte*

1. Vecht (Vehhto)

vegetarianisch*

1. vegetarisch (vegetara)

Vegetation*

1. groei, plantengroei (vegetado)

vegetieren*

1. groeien, vegeteren (vegeti)

Veilchen*

1. viool, viooltje (violo)

Velin*

1. velijn, velijnpapier (veleno)

Veloziped*

1. velocipède (velocipedo)

Vene*

1. ader, nerf, vlam (vejno)

Venedig*

1. Venetië (Veneco)

Ventil*

1. luchtklep, ventiel (aerklapo)
2. klep, radiolamp, schaal, ventiel (valvo)

Ventilation*

1. luchtverversing, ventilatie (ventolado)

Ventilator*

1. ventilator, wan (ventolilo)

ventilieren*

1. luchten, spuien, uitluchten, ventileren, wannen (ventoli)

ver-*

1. uiteen-, uitelkaar- (dis-)

verabreden*

1. afspreken, een schikking treffen, het eens zijn, overeenkomen (interkonsenti)

verabscheuen*

1. een afschuw hebben van, verafschuwen, verfoeien (abomeni)

verabschieden*

1. ontslaan, ontzetten, royeren (eksigi)

Verachtung*

1. minachting, schamperheid, verachting, versmading (malestimo)

verallgemeinern*

1. distribueren, rondbrengen, verdelen (distribui)

veralten*

1. verouderen (maljunighi)
2. verouderen (malnovighi)

veraltet*

1. archaïsch, verouderd (arhhaika)

Veranda*

1. veranda (verando)

veränderlich*

1. variabel, wisselbaar (shanghebla)
2. onbestendig, veranderlijk, vlinderachtig, wispelturig (shanghighema)

Veränderung*

1. verandering, wijziging (aliigho)
2. keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling (shangho)

veranlassen*

1. doen, laten, laten doen, maken (igi)
2. de stoot geven tot, het initiatief nemen tot (iniciati)
3. aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken (kauzi)

Veranlassung*

1. initiatief (iniciato)
2. oorzaak, reden (kauzo)

veranstalten*

1. aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen (aranghi)
2. ondernemen (entrepreni)

verantworten*

1. aansprakelijk zijn, verantwoordelijk zijn, verantwoorden (prirespondi)

verantwortlich*

1. aansprakelijk, verantwoordelijk (responda)

verarmen*

1. tot armoede vervallen, verarmen (malrichighi)

verausgaben*

1. besteden, spanderen, spenderen, uitgeven, verteren (elspezi)

veräußern*

1. overdoen, tappen, verhandelen, verkopen, vervreemden, wegdoen (vendi)

Verb*

1. werkwoord (verbo)

Verband*

1. verband, zwachtel (bandagho)
2. band (ligajho)
3. bond, liga, verbond (ligo)
4. eenwording, unie, vereniging (unuigho)

verbannen*

1. uitbannen, verbannen (ekzili)

Verbannung*

1. ballingschap, verbanning (ekzilo)

verbergen*

1. ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen (kashi)

verbessern*

1. bijsturen, corrigeren, verbeteren (korekti)
2. verbeteren, veredelen (plibonigi)

Verbeugung*

1. buiging, nijging, revérence, strijkage (riverenco)

verbieten*

1. verbieden (malpermesi)

verbinden*

1. aan elkaar vastmaken, verbinden (interligi)
2. berichten, mededelen, meedelen, voortzeggen (komuniki)
3. bijeenbinden, samenbinden, verbinden (kunligi)
4. aansluiten, binden, vastbinden, vastmaken, verbinden (ligi)
5. een verban

Verbindung*

1. associatie, bond, genootschap, maatschappij, vereniging (asocio)
2. bond, liga, verbond (ligo)
3. betrekking, opzicht, relatie, verhouding (rilato)
4. eenwording, unie, vereniging (unuigho)

verblassen*

1. bleek worden, tanen, verbleken, verschieten (palighi)

verborgen*

1. geheim, heimelijk, verborgen, verstolen (sekreta)

Verbot*

1. interdict, verbod (malpermeso)

Verbrauch*

1. verbruik (foruzo)
2. verbruik (konsumo)

verbrauchen*

1. consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren (konsumi)

Verbrauchssteuer*

1. accijns, verbruiksbelasting (akcizo)

Verbrechen*

1. misdaad, misdrijf (krimo)

Verbrecher*

1. booswicht, crimineel, misdadiger, schobbejak, snoodaard (krimulo)

Verbreitung*

1. verbreiding, verspreiding (disvastigo)
2. verspreiding (disvastigho)

verbrennen*

1. branden, verbranden (bruligi)

Verbrennung*

1. brandstichting (bruligo)

verbringen*

1. aangeven, aanreiken, doorbrengen, verdrijven (pasigi)

Verbrüderung*

1. verbroedering (fratigho)

Verbum*

1. werkwoord (verbo)

verbürgen*

1. borg staan voor, garanderen, sponsoren, waarborgen (garantii)

Verdacht*

1. achterdocht, argwaan, verdenking (suspekto)

verdächtigen*

1. verdenken (suspekti)

verdächtigend*

1. verdacht (suspekta)

verdammen*

1. veroordelen (kondamni)

verdanken*

1. danken, bedanken, dank betuigen, te danken hebben (danki)
2. te danken hebben aan (shuldi al)

verdauen*

1. digereren, verduwen, verteren, verwerken (digesti)

verdaulich*

1. verteerbaar (digestebla)

Verdauungsschwäche*

1. dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering (dispepsio)

Verdauungsstoff*

1. pepsine (pepsino)

Verdeck*

1. dek, scheepsdek, verdek (ferdeko)
2. bedekking, deksel, kaft, omslag (kovrilo)

verderben*

1. bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen (difekti)
2. kapot gaan, onklaar raken, stukgaan (difektighi)
3. bederven, omkopen, verbasteren (korupti)
4. bederven, verknoeien (malbonigi)
5. ruïneren, te gronde

verderblich*

1. fataal, fnuikend, verderfelijk (pereiga)

Verderbnis*

1. beschadiging, defect, gebrek (difekto)
2. ondergang, verderf (pereo)

verdeutschen*

1. verduitsen (germanigi)

verdichten*

1. aaneensluiten, binden, verdichten (densigi)

verdienen*

1. toekomen, verdienen, waard zijn, waardig zijn (meriti)

Verdienst*

1. baat, gewin, verdienste, winst (gajno)
2. verdienste (merito)
3. baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst (profito)

Verdikt*

1. judicium, sententie, uitspraak, vonnis (verdikto)

verdingen*

1. aanbesteden (adjudiki)

Verdingung*

1. aanbesteding, gunning (aljughado)
2. aanbesteding (konkura kontraktkomisiado)
3. aanbesteding (laborenskribo)
4. aanbesteding (prezkonkurado)
5. aanbesteding, inschrijving (prezkonkuro)

verdolmetschen*

1. duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken (interpreti)

verdoppeln*

1. nasynchroniseren, verdubbelen (duobligi)

verdorren*

1. drogen, droogvallen, droog worden, opdrogen, uitdrogen, verdrogen (sekighi)

verdrängen*

1. uitstoten, wegstoten (elpushi)
2. verdringen (forpremi)
3. afstoten, verdringen, verduwen, wegdringen, wegduwen, wegstoten (forpushi)

Verdrehtheit*

1. absurditeit, onding, ongerijmdheid, onzin (absurdajho)
2. absurditeit, ongerijmde, ongerijmdheid, onzinnigheid (absurdeco)
3. ongerijmdheid, onzin (absurdo)

verdrießen*

1. ergeren, tegenstaan, vermoeien, vervelen (tedi)
2. bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten (chagreni)

verdrießlich*

1. melig, saai, taai, vermoeiend, vervelend (teda)

Verdruß*

1. verveling (tedo)
2. leed, smart, verdriet, zorg (chagreno)

verdunkeln*

1. dempen (malheligi)
2. verdonkeren, verduisteren (mallumigi)

verdunsten*

1. in rook opgaan, vervliegen (elvaporighi)

veredeln*

1. verbeteren, veredelen (plibonigi)

verehren*

1. aanbidden, adoreren, verafgoden, vereren (adori)
2. cadeau geven, schenken (donaci)
3. eren, huldigen, vereren (honori)

Verehrung*

1. achting, tel (estimo)

vereidigen*

1. beëdigen, een eed afnemen (jhurigi)

Verein*

1. eenwording, unie, vereniging (unuigho)

vereinbaren*

1. afspreken, een schikking treffen, het eens zijn, overeenkomen (interkonsenti)

vereinfachen*

1. simplificeren, vereenvoudigen (simpligi)

vereinigen*

1. aaneenvoegen, bijeenbrengen, samenbrengen, verenigen (kunigi)
2. verenigen (unuigi)

Vereinigten Staaten*

1. Verenigde Staten van Amerika (Usono)

Vereinigung*

1. associatie, bond, genootschap, maatschappij, vereniging (asocio)

vereinsamt*

1. afgelegen, apart, geïsoleerd (izolita)

vereiteln*

1. de bodem inslaan (vanigi)

verengern*

1. inperken (malvastigi)

vererben*

1. nalaten (heredigi)
2. nalaten, vermaken (testamenti)

verewigen*

1. vereeuwigen (eternigi)

verfahren*

1. ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan (agi)
2. te werk gaan (procedi)

verfallen*

1. afvallen, afvallig worden, uitvallen (defali)
2. ineenstorten, ineenzakken, in verval raken, vervallen (ruinighi)

verfänglich*

1. arglistig (insida)
2. bedrieglijk (trompa)

verfassen*

1. componeren, maken, scheppen, schrijven (verki)

Verfasser*

1. auteur, bedenker, schepper, schrijver (autoro)
2. auteur, schrijver, stilist (verkisto)

Verfassung*

1. constitutie, grondwet (konstitucio)

verfaulen*

1. bederven, rotten, vergaan, verrotten (putri)

verfehlen*

1. misgrijpen, mislopen, missen (maltrafi)

verfeinern*

1. louteren, raffineren, verfijnen (rafini)

verfertigen*

1. fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen (fabriki)

verfinstern*

1. verdonkeren, verduisteren (mallumigi)

verfließen*

1. uiteengaan, vervloeien (disflui)
2. afvloeien, weglopen, wegvloeien (forflui)

verfluchen*

1. vermaledijen, vervloeken, verwensen (malbeni)

verfolgen*

1. achtervolgen, najagen, vervolgen (persekuti)

Verfolgung*

1. achtervolging, vervolging (persekutado)
2. achtervolging (persekuto)

verfügen*

1. decreteren, verordenen, voorschrijven (dekreti)
2. beschikken over, disponeren (disponi)

Verfügung*

1. rescript (reskripto)

verführen*

1. verleiden, verlokken, weglokken (delogi)

Vergangenheit*

1. verleden, verleden tijd (estinteco)

vergänglich*

1. vergankelijk, voorbijgaand (pasema)

Vergaser*

1. carburateur, vergasser (karburilo)

vergebens*

1. ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos (vana)
2. tevergeefs (vane)

vergeblich*

1. onverrichterzake, zonder succes (sensukcese)
2. ijdel, nutteloos, vergeefs, vruchteloos (vana)
3. tevergeefs (vane)

Vergeblichkeit*

1. ijdelheid, vruchteloosheid (vaneco)

Vergebung*

1. genade, gratie, vergeving, vergiffenis (pardono)

vergehen*

1. omkomen, overdrijven, overgaan, vergaan, verlopen, verstrijken (pasi)

vergelten*

1. hergeven, reproduceren, teruggeven, vergelden, weergeven (redoni)
2. lonen, belonen, terugdoen, vergelden, wedervergelden (rekompenci)
3. restitueren, terugbetalen, terugstorten, vergelden (repagi)

vergessen*

1. afleren, vergeten, verleren (forgesi)

Vergessenheit*

1. vergetelheid (forgeso)

vergeßlich*

1. vergeetachtig (forgesema)

vergeuden*

1. opmaken, verdoen, verklungelen, verkwisten, vermorsen, verspillen (malshpari)

vergewaltigen*

1. forceren, geweld aandoen, verkrachten (perforti)

vergewissern*

1. betuigen, verzekeren (certigi)

vergiften*

1. vergallen, vergeven, vergiftigen, verpesten (veneni)

vergilben*

1. vergelen (flavighi)

Vergißmeinnicht*

1. vergeet-mij-niet, vergeet-mij-nietje (miozoto)

Vergleich*

1. vergelijking (komparo)

vergleichen*

1. vergelijken (kompari)

Vergleichung*

1. vergelijking (komparado)

Vergnügen*

1. genoegen, plezier, pret, vermaak (plezuro)

vergnügt*

1. lustig, monter, vrolijk (gaja)

vergolden*

1. vergulden (ori)
2. vergulden (orumi)

vergöttern*

1. aanbidden, adoreren, verafgoden, vereren (adori)
2. vergoddelijken (diigi)

Vergötterung*

1. apotheose, slotstuk, slottaffereel, verheerlijking (apoteozo)

vergraben*

1. begraven, ingraven, kuilen, inkuilen (enfosi)

vergrämt*

1. verdrietig (chagrenita)

Vergrößerung*

1. uitbouwing, vergroting (pligrandigo)
2. vergroting (pligrandigho)

Vergünstigung*

1. gunstbewijs (favorajho)
2. gunst, begunstiging, genadigheid (favoro)
3. prae, preferentie, privilege, voorrecht (privilegio)
4. afslag, korting, rabat (rabato)

vergüten*

1. compenseren, goedmaken, vergoeden (kompensi)

Vergütung*

1. compensatie, vergoeding, schadevergoeding, tegenprestatie (kompenso)
2. afslag, korting, rabat (rabato)
3. restituering, terugbetaling, vergelding, wedervergelding (repago)

verhaften*

1. aanhouden, arresteren, inrekenen, in verzekerde bewaring nemen (aresti)

Verhalten*

1. gedrag, houding, wandel (konduto)

Verhältnis*

1. betrekking, omgang, verband, verhouding, verkeer, verstandhouding (interrilato)
2. evenredigheid, proportie, verhouding, zinsnede (proporcio)
3. betrekking, opzicht, relatie, verhouding (rilato)

verhältnismäßig*

1. evenredig, proportioneel, verhoudingsgewijs (proporcia)

Verhältniswort*

1. voorzetsel (prepozicio)

Verhaltungsbefehl*

1. aanwijzing, consigne, instructie (instrukcio)

verhandeln*

1. bespreken, discuteren, van gedachten wisselen (diskuti)
2. handeldrijven, handelen, zaken doen (negoci)

Verhandlung*

1. behandeling, onderhandeling (traktado)

Verhängnis*

1. lot, noodlot (fatalo)
2. fortuin, lot, levenslot (sorto)

verhängnisvoll*

1. fataal, funest, noodlottig (fatala)

verharren*

1. doorbijten, doorzetten, voet bij stuk houden, volharden, volhouden (persisti)

verhaßt*

1. gehaat (malamata)

verhätscheln*

1. koesteren, troetelen, vertroetelen, verwennen (dorloti)

Verhau*

1. barricade, versperring (barikado)

verhauen*

1. afdrogen, afranselen, kletteren (batadi)
2. afranselen, aftuigen, beuken (bategi)

verheeren*

1. ruïneren, verwoesten (ruinigi)

verhehlen*

1. ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen (kashi)

verheimlichen*

1. ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen (kashi)
2. geheim houden (sekretigi)

verheirated*

1. gehuwd, getrouwd (edzinighinta)
2. gehuwd, getrouwd (edzighinta)

verheißen*

1. beloven, toezeggen, uitloven, verzeggen (promesi)

verherrlichen*

1. loven, prijzen, roemen, verheerlijken (glori)

verhexen*

1. begoochelen, beheksen, betoveren (ensorchi)

verhindern*

1. afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden (deteni)
2. in verlegenheid brengen, ongelegen komen, ontrieven (embarasi)
3. belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen (malhelpi)

Verhör*

1. beluistering, luisteren, beluisteren (auskultado)

verhüllen*

1. beleggen, dekken, bedekken, toedekken (kovri)
2. sluieren, omsluieren (vuali)

Verkauf*

1. verkoop (vendado)
2. verkoop, vervreemding (vendo)

verkaufen*

1. overdoen, tappen, verhandelen, verkopen, vervreemden, wegdoen (vendi)

Verkäufer*

1. verkoper (vendisto)

verkäuflich*

1. te koop, veil (achetebla)

Verkehr*

1. communicatie (interkomunikigho)

verkehren*

1. in elkaar lopen, in verbinding staan (komunikighi)
2. aangaan, aanbelangen, betreffen, verkeren, zich verhouden (rilati)

Verkehrsvorschriften*

1. verkeersregels (trafikreguloj)

verkehrt*

1. tegengesteld, tegenliggend, tegenstaand, tegenstrijdig (mala)
2. fout, mis, onjuist, verkeerd (malghusta)

Verkettung*

1. vereniging (kunigo)
2. aaneenschakeling, opeenvolging, volgorde (sinsekvo)

verklagen*

1. beschuldigen, betichten (kulpigi)
2. klagen, zijn beklag doen (plendi)

Verkleinerungswort*

1. verkleinwoord (diminutivo)

verknüpfen*

1. bijeenbinden, samenbinden, verbinden (kunligi)

verkörpern*

1. belichamen (korpigi)

verkrüppelt*

1. gebrekkig, verminkt (kripla)

verkünden*

1. aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen (anonci)
2. aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen (sciigi)

verkürzen*

1. afkorten, bekorten, inkorten (mallongigi)

Verlag*

1. uitgeverij (eldonejo)
2. druk, editie, uitgaaf, uitgave (eldono)

Verlagsrecht*

1. copyright, kopijrecht (kopirajto)

verlangen*

1. eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen (postuli)

Verlegenheit*

1. benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid (embaraso)

Verleger*

1. uitgever (eldonisto)

verleihen*

1. lenen (prunti)

verletzen*

1. bederven, beschadigen, havenen, schenden, stukmaken, toetakelen (difekti)
2. beledigen, grieven, krenken, verongelijken (ofendi)
3. kwetsen, wonden, verwonden (vundi)

verletzend*

1. beledigend, grievend, krenkend (ofenda)

Verletzung*

1. blessure, kwetsuur, wond, verwonding (vundo)

verleugnen*

1. ontkennen, verloochenen, verzaken (malkonfesi)

Verleugnung*

1. abnegatie, versterving, zelfverloochening (abnegacio)

verleumden*

1. belasteren, kwaadspreken, roddelen (kalumnii)

verlieren*

1. verliezen (malgajni)
2. kwijtraken, opgeven, verbeuren, verliezen, verspelen (perdi)

Verlies*

1. gevangenis, kerker, nor (malliberejo)

Verlobung*

1. engagement, verloving (fianchinigho)
2. engagement, verloving (fianchigho)

verlocken*

1. verleiden, verlokken, weglokken (delogi)

verlogen*

1. leugenachtig (mensogema)

verlöschen*

1. doven, uitgaan, uitdoven, uitsterven (estingighi)

verlosen*

1. loten, verloten (lotumi)

Verlust*

1. verlies (malgajno)
2. deficit, nadeel, schade, strop, verlies (malprofito)
3. schadepost, verlies, vermissing (perdo)

Vermächtnis*

1. cadeau, donatie, geschenk, gift, schenking (donaco)
2. boedel, erfdeel, erfenis, erfstuk, versterf, versterving (heredajho)
3. testament, uiterste wil, verbond, wilsbeschikking (testamento)

Vermählung*

1. huwelijk (edzinigho)
2. huwelijk (edzigho)

vermahnen*

1. manen, aanmanen, aansporen, vermanen, waarschuwen (admoni)

vermehren*

1. vergroten, vermeerderen (pliigi)
2. vermeerderen (plimultigi)

Vermehrung*

1. aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename (kresko)
2. vergroting (pligrandigho)
3. aangroei, toename, vermeerdering (plimultigho)

vermeiden*

1. mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden (eviti)

vermeintlich*

1. gewaand (supozata)

Vermerk*

1. opmerking (rimarko)

Vermessungskunst*

1. aardmeetkunde, landmeetkunde (geodezio)

vermieten*

1. verhuren (luigi)

vermissen*

1. missen, niet vinden (ne trovi)
2. missen (senti la foreston de)

vermitteln*

1. bemiddelen (peri)
2. koppelen (svati)

vermittels*

1. aan, door, met, per (per)

vermodern*

1. bederven, rotten, vergaan, verrotten (putri)

vermögen*

1. kunnen (povi)

vermögend*

1. machtig (potenca)
2. gefortuneerd, rijk, vermogend (richa)

vermuten*

1. gissen, vermoeden (konjekti)
2. aannemen, menen, stellen, vermoeden, veronderstellen (supozi)

vermutlich*

1. vermoedelijk (konjektebla)
2. vermoedelijk (supozebla)

vernarben*

1. helen, dichtgaan, toegroeien (cikatrighi)

vernehmen*

1. horen, vernemen, verstaan (audi)
2. horen, vernemen (sciighi)

verneinen*

1. loochenen, ontkennen (nei)

verneinend*

1. ontkennend (nea)

vernichten*

1. vernielen, vernietigen, verwoesten (detrui)
2. tenietdoen, vernietigen (neniigi)

Vernichtung*

1. vernietiging (neniigo)

vernickeln*

1. vernikkelen (nikeli)

Vernunft*

1. rede, verstand, gezond verstand (prudento)

Vernunftforscher*

1. filosoof, wijsgeer (filozofo)

vernunftgemäß*

1. rationeel, redelijk (racia)

Vernunftgemäßheit*

1. rede, verstand (racio)

vernünftig*

1. verstandig (prudenta)

veröffentlichen*

1. afkondigen, openbaar maken, publiceren, ruchtbaar maken (publikigi)

verordnen*

1. bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven (ordoni)

verpachten*

1. in pacht hebben, pachten (farmi)

verpacken*

1. emballeren, pakken, inpakken (paki)

Verpackung*

1. bagage (pakajho)

verpassen*

1. nalaten, uitlaten, verzaken, verzuimen, weglaten (preterlasi)

Verpflegung*

1. verpleging (flegado)

Verpflichtung*

1. obligatie (obligacio)

Verrat*

1. verraad (perfido)

verraten*

1. in de steek laten, laten merken, verraden (perfidi)

Verräter*

1. valsaard, verrader (perfidulo)

verriegeln*

1. grendelen, afgrendelen (rigli)

verringern*

1. verkleinen (plimalgrandigi)

verrückt*

1. dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig (freneza)

Vers*

1. dichtregel, vers, versregel (verso)

versagen*

1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)

Versammlung*

1. bijeenkomst, meeting, samenkomst, vergadering (kunveno)

Versäumnis*

1. nalatigheid, uitlating, verzaking, verzuim, weglating (preterlaso)

verschaffen*

1. uitreiken, verschaffen, verstrekken (havigi)

verschenken*

1. cadeau geven, schenken (donaci)

verscheuchen*

1. bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen (timigi)

verschieden*

1. uiteenlopend, verschillend (diferenca)
2. menigvoudig, menigvuldig, verschillend (diversa)

verschiedenartig*

1. uiteenlopend, verschillend (diferenca)

verschiedene*

1. diverse, verscheidene (diversaj)

verschimmeln*

1. schimmelen, beschimmelen, verschimmelen (shimi)

verschlagen*

1. geslepen, uitgekookt (ruzega)

verschlechtern*

1. bederven, verknoeien (malbonigi)
2. verergeren, verslechteren (plimalbonigi)

verschleiern*

1. sluieren, omsluieren (vuali)

Verschleimung*

1. obstructie, opstopping, verstopping (obstrukco)

verschließen*

1. dichtdoen, dichtmaken, sluiten, toedoen (fermi)
2. op slot doen, sluiten, afsluiten (shlosi)

verschlimmern*

1. bederven, verknoeien (malbonigi)
2. verergeren, verslechteren (plimalbonigi)

verschlingen*

1. binnenkrijgen, innemen, inslikken (engluti)
2. gulzig eten, schransen, schrokken (manghegi)

Verschluß*

1. afsluiter, beugel, slot, sluiting (fermilo)
2. sluiter (obturatoro)
3. grendel, knip, schuif, schuifslot (riglilo)
4. slot (seruro)

verschmitzt*

1. geslepen, uitgekookt (ruzega)

verschneiden*

1. castreren, ontmannen, snijden (kastri)

Verschnittener*

1. eunuch (eunuko)

verschonen*

1. ontzien, sparen, toegeeflijk zijn voor, zich laten vermurwen (indulgi)

verschönern*

1. verfraaien (beligi)
2. flatteren, opwerken, verfraaien, vermooien (plibeligi)

verschreiben*

1. boeken, bijboeken, inschrijven, registreren (enskribi)

verschulden*

1. aan zich verplichten (shuldigi)

verschütten*

1. morsen (disvershi)
2. rondstrooien, uitstrooien, verstrooien (disshuti)

verschweigen*

1. achterhouden, stilhouden, stilzwijgend voorbijgaan aan, verzwijgen (prisilenti)

verschwenden*

1. opmaken, verdoen, verklungelen, verkwisten, vermorsen, verspillen (malshpari)

verschwiegen*

1. bescheiden, discreet, onopvallend (diskreta)
2. stil, zwijgend, stilzwijgend (silenta)

verschwinden*

1. 'm smeren, verdwijnen, wijken (malaperi)

Verschwörung*

1. komplot, samenspanning (komploto)
2. samenzwering (konspiro)

versehen*

1. bevoorraden, provianderen, spekken, stijven, voorzien van (provizi)

versehen mit*

1. voorzien van (provizi je)

versichern*

1. assureren, veilig stellen, verzekeren (asekuri)

Versicherung*

1. assurantie, verzekering (asekuro)
2. betuiging, verzekering (certigo)

Versicherungsschein*

1. polis (poliso)

versiegeln*

1. zegelen, bezegelen, verzegelen (sigeli)

Versiegelung*

1. verzegeling (sigelado)

versöhnen*

1. verzoenen (repacigi)

versorgen*

1. behartigen, verzorgen (prizorgi)
2. bevoorraden, provianderen, spekken, stijven, voorzien van (provizi)

Versorgung*

1. aanvoer, bevoorrading (provizado)
2. provisie, voorraad, voorziening (provizo)

versperren*

1. afdammen, afsluiten, belemmeren, stuwen, versperren (bari)

verspielen*

1. verspelen (forludi)

verspotten*

1. honen, spotten, bespotten (moki)

versprechen*

1. beloven, toezeggen, uitloven, verzeggen (promesi)

Versstück*

1. gedicht, vers (versajho)

Verstand*

1. geest, intellect, verstand (intelekto)
2. intelligentie (inteligento)
3. verstand (komprenemo)
4. rede, verstand, gezond verstand (prudento)
5. betekenis, zin (senco)

verständig*

1. bevattelijk, intelligent, knap, snugger (inteligenta)
2. verstandig (prudenta)

verständlich*

1. begrijpelijk, bevattelijk, duidelijk, vanzelfsprekend (komprenebla)
2. begrijpelijkerwijs, dat spreekt vanzelf, natuurlijk (kompreneble)
3. alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair (vulgara)

Verständnis*

1. begrip, idee (komprenajho)
2. benul, besef, inzicht, verstand (kompreno)

Versteck*

1. hinderlaag (embusko)
2. schuilhoek (kashejo)

verstecken*

1. ontveinzen, verbergen, verhelen, verschuilen, verstoppen (kashi)

verstehen*

1. begrijpen, beseffen, bevatten, snappen, vatten, verstaan (kompreni)

Versteigerung*

1. afslag, auctie, mijn, veiling, vendu, vendutie, verkoping (aukcio)

verstohlen*

1. geheim, heimelijk, verborgen, verstolen (sekreta)
2. heimelijk, in het geheim, privatim, stiekem, stilletjes (sekrete)

verstopfen*

1. dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen (shtopi)

Verstopfung*

1. infarct (infarkto)
2. obstructie, opstopping, verstopping (obstrukco)

verstorben*

1. afgestorven, dood, overleden, ter ziele (mortinta)

Verstorbener*

1. dode, gestorvene, overledene (mortinto)

verstört*

1. verward (konfuza)

Versuch*

1. experiment, proef, proefneming (eksperimento)
2. moeite, poging (klopodo)
3. beproeving, poging, proef, test, toets, toetsing (provo)

versuchen*

1. beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen (provi)
2. bekoren, in verzoeking brengen, verleiden, verlokken, verzoeken (tenti)

Versuchung*

1. aanvechting, temptatie, verleiding, verlokking, verzoeking (tento)

versüßen*

1. zoeten (dolchigi)

vertagen*

1. aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven (prokrasti)

vertauschen*

1. ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen (intershanghi)
2. omzetten van de volgorde, permuteren (permuti)
3. substitueren, vervangen (substitui)

verteidigen*

1. opkomen voor, verdedigen, verweren (defendi)

Verteidigungsrede*

1. apologie, verdediging, verweerschrift (apologio)

verteilen*

1. ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen (disdoni)
2. distribueren, rondbrengen, verdelen (distribui)
3. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen (dividi)

Verteiler*

1. verdeler (distribuilo)

Vertiefung*

1. gat, hol, holte, kuil, put (kavo)

vertikal*

1. loodrecht, rechtopstaand, verticaal, vertikaal (vertikala)

vertilgen*

1. uitroeien, verdelgen (ekstermi)

Vertrag*

1. contract, verbintenis (kontrakto)

vertrauen*

1. fiducie hebben in, vertrouwen, vertrouwen stellen in (fidi)

vertrauen mit*

1. vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in (konfidi)

Vertrauen setzen in*

1. vertrouwen, toevertrouwen, vertrouwen hebben in (konfidi)

vertrauenswert*

1. betrouwbaar, vertrouwd (fidinda)

vertraulich*

1. gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk (intima)

vertraut*

1. gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk (intima)

vertreiben*

1. uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen (forpeli)

vertreten*

1. vertegenwoordigen (reprezenti)

Vertreter*

1. vertegenwoordiger, zaakbezorger, zaakwaarnemer (reprezentanto)

Vertretung*

1. vertegenwoordiging (reprezentado)

Vertrieb*

1. afname, aftrek, afzet, omzet (debito)

verunstalten*

1. ontsieren (malbeligi)

verursachen*

1. aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken (kauzi)

verurteilen*

1. veroordelen (kondamni)

Verve*

1. geestdrift, gloed, pittigheid, sappigheid, spirit, verve, vuur (vervo)

vervielfältigen*

1. multipliceren, verveelvoudigen (multobligi)

vervolgen*

1. gadeslaan, observeren, toekijken, toezien, waarnemen (observi)

vervollkommnen*

1. verbeteren, volmaken, vervolmaken (perfektigi)

vervollständigen*

1. aanvullen, bijwerken, completeren, supplementeren, voleinden (kompletigi)

Vervollständigung*

1. bepaling, complement (komplemento)

verwaist*

1. ouderloos (orfa)

verwalten*

1. administreren, beheren, besturen, toedienen (administri)

Verwalter*

1. administrateur, beheerder (administratoro)

Verwaltung*

1. administratie, beheer, bestuur, toediening (administrado)

Verwandlung*

1. gedaanteverandering, vervorming (aliformigho)

verwandt*

1. verwant, aanverwant (parenca)

Verwandter*

1. familielid, verwant, bloedverwant (parenco)

Verwandtschaft*

1. familie, verwanten, bloedverwanten (parencaro)
2. familiebetrekking, verwantschap (parenceco)

verwechseln*

1. verwarren, met elkaar verwarren, verwisselen (intermiksi)
2. ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen (intershanghi)

verweichlichen*

1. murw maken, vertederen, weekmaken, zacht maken (moligi)
2. ontzenuwen (senenergiigi)
3. ontkrachten (senfortigi)

verweigern*

1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)

Verweigerung*

1. afwijzing, weigering (rifuzo)

verweilen*

1. plakken, resideren, verblijf houden, vertoeven, wijlen, verwijlen (restadi)

verwelken*

1. kwijnen, verdorren, verflensen, verleppen, verwelken (velki)

verwenden*

1. aanwenden, doorvoeren, in toepassing brengen, toepassen (apliki)
2. aanwenden, benutten, gebruiken (uzi)

verwerflich*

1. verwerpelijk (kondamninda)

verwerten*

1. aanwenden, benutten, gebruiken (uzi)

verwesen*

1. bederven, rotten, vergaan, verrotten (putri)

Verweser*

1. administrateur, beheerder (administratoro)

Verwesung*

1. ontbinding, rotting, verrotting (putrado)

verwickeln*

1. betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen (impliki)

verwickelt machen*

1. compliceren, ingewikkeld maken (kompliki)

verwildern*

1. wild maken (sovaghigi)
2. verwilderen (sovaghighi)

verwirren*

1. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen (konfuzi)

Verwirrung*

1. verwardheid, verwarring (konfuzo)

verwunden*

1. kwetsen, wonden, verwonden (vundi)

verwundern*

1. bevreemden, verbazen, verwonderen (mirigi)

verwundert*

1. verbaasd (mirigita)

Verwunderung*

1. bevreemding, verbaasdheid, verwondering (miro)

Verwundung*

1. blessure, kwetsuur, wond, verwonding (vundo)

verwünschen*

1. vermaledijen, vervloeken, verwensen (malbeni)

verzagt*

1. moedeloos (senkuragha)

verzärteln*

1. koesteren, troetelen, vertroetelen, verwennen (dorloti)

verzaubern*

1. begoochelen, beheksen, betoveren (ensorchi)

verzehren*

1. consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren (konsumi)

Verzeichnis*

1. index, inhoudsopgave, register (indekso)
2. catalogus (katalogo)
3. ceel, cedel, lijst, rol (listo)
4. lijst, tabel, tafel (tabelo)

verzeihen*

1. begenadigen, vergeven (pardoni)

Verzeihung*

1. genade, gratie, vergeving, vergiffenis (pardono)

verzichten*

1. afstand doen van, opgeven, uitvallen (rezigni)

Verzichtleistung*

1. afstand (rezigno)

verziehen*

1. koesteren, troetelen, vertroetelen, verwennen (dorloti)
2. trekken (tiri)

verzieren*

1. afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren (garni)
2. decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren (ornami)

Verzierung*

1. decoratie, sieraad, tooisel, versiering, versiersel (ornamajho)

verzinnen*

1. vertinnen (stani)

verzögern*

1. aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven (prokrasti)

Verzögerung*

1. oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet (prokrasto)

verzücken*

1. in verrukking brengen, verrukken (ravi)

Verzweiflung*

1. radeloosheid, vertwijfeling, wanhoop (malespero)

Vesier*

1. vizier (veziro)

Vestibül*

1. hal, vestibule, voorportaal (vestiblo)

Veteran*

1. oudgediende, veteraan (veterano)

veterinär*

1. veeartsenijkundig (veterinara)

Vetter*

1. neef (kuzo)

Viadukt*

1. viaduct, viadukt (viadukto)

Vibration*

1. trilling, vibratie (vibrado)

vibrieren*

1. trillen, vibreren (vibri)

Vicekönig*

1. landvoogd, onderkoning, stadhouder (vicregho)

Vicepräsident*

1. ondervoorzitter, vice-president, vice-voorzitter (vicprezidanto)

Vieh*

1. kudde, levende have, vee, veestapel (brutaro)
2. beest, bruut, stuk vee (bruto)

Viehseuche*

1. epidemische veeziekte (epizootio)

Viehsterben*

1. epidemische veeziekte (epizootio)

viel*

1. veel (multa)
2. veel (multe da)

viele*

1. menig, veel, vele (multaj)
2. veel (multe da)

vielleicht*

1. misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht (eble)

vielmehr*

1. beter, juister, veeleer, veelmeer (pli ghuste)

Vielweiberei*

1. polygamie, veelwijverij (poligamio)

vier*

1. vier (kvar)

Viertel*

1. kwartier (kvaronhoro)
2. buurt, wijk, stadswijk (kvartalo)

Viertelstunde*

1. kwartier (kvaronhoro)

Vierwaldstättersee*

1. Vierwoudstrekenmeer (Kvararbareja Lago)

vierzehn*

1. veertien (dek kvar)

vierzig*

1. veertig (kvardek)

Vignette*

1. vignet (vinjeto)

Vikar*

1. hulpprediker, kapelaan, vicaris (vikario)

Violinbogen*

1. strijkstok (archo)

Violincello*

1. cel, cello, violoncel (violonchelo)

Violine*

1. viool (violono)

Virtuos*

1. virtuoos (virtuozo)

Virtuose*

1. virtuoos (virtuozo)

Virtuosität*

1. virtuositeit (virtuozeco)

Visa*

1. visum (vizo)

Visier*

1. klep, vizier (viziero)

visieren*

1. aftekenen, viseren (vizi)

Vision*

1. droombeeld, gezicht, droomgezicht, visioen (vizio)

Visite*

1. bezoek, visite (vizito)

Visum*

1. visum (vizo)

Vitriol*

1. vitriool (vitriolo)

Vogel*

1. vogel (birdo)

Vogelkirsche*

1. kriek (merizo)

Vokabel*

1. woord, bewoording (vorto)

Vokal*

1. klinker, vocaal, zelfklinker (vokalo)

Vokativ*

1. vocatief (vokativo)

Volk*

1. volk (popolo)

Volksmenge*

1. menigte, volksmenigte (popolamaso)

volkstümlich*

1. getapt, populair, veelgeliefd (populara)

voll*

1. compleet, totaal, vol, volkomen, volledig (plena)

vollendet*

1. in optima forma, perfect, volkomen, volmaakt (perfekta)

Vollendung*

1. perfectie, volkomenheid, volmaaktheid (perfekteco)

völlig*

1. compleet, heel, geheel, totaal, totaliter, volkomen, volledig (komplete)
2. heel, geheel, ten volle, volkomen, volledig, voluit (plene)

völlig übereinstimmend*

1. identiek (identa)

volljährig*

1. meerderjarig, mondig (plenagha)

vollkommen*

1. in optima forma, perfect, volkomen, volmaakt (perfekta)

Vollkommenheit*

1. perfectie, volkomenheid, volmaaktheid (perfekteco)

Vollmond*

1. volle maan (plena luno)

vollstrecken*

1. executeren, ter dood brengen, terechtstellen (ekzekuti)

Vollzähligkeit*

1. complet, set, stel, stelletje (kompleto)

Volumen*

1. geluidssterkte, inhoud, volume (volumeno)
2. band, deel, boekdeel, volume (volumo)

von*

1. van (de[1])
2. door (de[2])
3. aan, aangaande, betreffende, met, over, van (pri)

von neuem*

1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer (denove)
2. nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer (ree)

von weitem*

1. van verre (de fore)
2. van verre (de malproksime)

von Zeit zu Zeit*

1. af en toe, bij tijd en wijlen, bij wijlen, nu en dan, van tijd tot tijd (de tempo al tempo)

vor*

1. voor (antau)

vorausnehmen*

1. anticiperen, prejudiciëren, vooruitlopen, vooruitlopen op (anticipi)

vorausschicken*

1. vooruitsturen (antausendi)

voraussetzen*

1. aannemen, menen, stellen, vermoeden, veronderstellen (supozi)

Voraussetzung*

1. hypothese, onderstelling, veronderstelling (hipotezo)
2. hypothese, mening, onderstelling, vermoeden, veronderstelling (supozo)

Vorbedeutung*

1. omen, voorteken (auguro)

Vorbehalt*

1. bepaling, conditie, voorwaarde (kondicho)
2. reserve, voorbehoud (rezervo)

vorbehalten*

1. openhouden, reserveren, vrijhouden (rezervi)

vorbei*

1. langs, voorbij (preter)

vorbereiten*

1. aanmaken, bereiden, toebereiden, voorbereiden (prepari)

Vorbereitung*

1. bereiding, toebereiding, voorbereiding (preparado)
2. voorbereiding, voorbereidsel (preparo)

Vorderrhein*

1. Voor-Rijn (Antaua Rejno)

Vorderseite*

1. front, gevel, voorkant, voorzijde (fronto)

Vordertür*

1. straatdeur, voordeur (antaua pordo)

Vorfahr*

1. stamvader, voorvader, voorzaat (prapatro)

Vorfall*

1. gebeurtenis, gelegenheid, geval (okazo)

vorfinden*

1. vinden, bevinden, treffen, aantreffen (trovi)

vorgeben*

1. doen alsof, voorgeven, voorwenden (preteksti)

Vorgebirge*

1. kaap, voorgebergte (promontoro)

vorgehen*

1. ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan (agi)
2. te werk gaan (procedi)

vorhaben*

1. van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen (intenci)

Vorhalle*

1. hal, vestibule, voorportaal (vestiblo)

vorhanden sein*

1. bestaan (ekzisti)

Vorhang*

1. doek, gordijn, overgordijn, scherm, voorhang, voorhangsel (kurteno)

Vorhaut*

1. voorhuid (prepucio)

Vorhut*

1. voorhoede (antaugvardio)

vorig*

1. verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger (antaua)
2. afgelopen, laatstleden, verleden, verschenen, vervlogen, voorbij (pasinta)

vorkommen*

1. gebeuren, toegaan, voortgang hebben, worden (farighi)
2. aan de hand zijn, gebeuren, geschieden, voorkomen, voorvallen (okazi)

Vorlegung*

1. aanbieding, optreden, presentatie, uitvoering, voorstelling (prezentado)
2. aanbieding (prezento)

Vormund*

1. conservator, curator, trustee, voogd (kuratoro)

Vorname*

1. voornaam (antaunomo)

vornehmlich*

1. in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk (precipe)

Vorrat*

1. provisie, voorraad, voorziening (provizo)

Vorrecht*

1. prerogatief, voorrecht (prerogativo)

Vorrede*

1. voorbericht, voorrede, voorwoord (antauparolo)

Vorrichtung*

1. apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel (aparato)

vorsagen*

1. dicteren (dikti)

vorschreiben*

1. bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven (ordoni)

vorschreiten*

1. te werk gaan (procedi)
2. opschieten, veld winnen, vlotten, vooruitgaan, vorderen (progresi)

vorschützen*

1. doen alsof, voorgeven, voorwenden (preteksti)

vor sich hertreiben*

1. drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven (peli)

Vorsicht*

1. behoedzaamheid, voorzichtigheid (singardo)

vorsichtig*

1. voorzichtig (singardema)

Vorsorge*

1. bedachtzaamheid, vooruitziende blik, voorzorg (antauzorgo)

vorspannen*

1. spannen, bespannen, inspannen, tuigen, optuigen, voorspannen (jungi)

Vorstadt*

1. voorstad (antauurbo)

Vorstadtviertel*

1. buitenwijk (periferia kvartalo)

Vorstand*

1. bestuur (estraro)

vorstehen*

1. uitspringen, uitstaan, uitsteken, vooruitspringen, vooruitsteken (elstari)

Vorsteher*

1. bestuurder, directeur (direktoro)
2. aanvoerder, baas, chef, gebieder (estro)

vorstellen*

1. vertegenwoordigen (reprezenti)

Vorstellung*

1. begrip, benul, denkbeeld, idee, voorstelling (ideo)
2. aanbieding, optreden, presentatie, uitvoering, voorstelling (prezentado)
3. aanbieding (prezento)
4. vertegenwoordiging (reprezentado)

Vorteil*

1. baat, gewin, verdienste, winst (gajno)
2. gemak, geschikte gelegenheid (oportuno)
3. baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst (profito)
4. baat, belang, nut, voordeel (utilo)

vorteilhaft*

1. bevorderlijk, dienstig, nuttig (utila)

Vortrab*

1. voorhoede (antaugvardio)

Vortrag*

1. oratie, rede, redevoering, speech (parolado)
2. lezing, spreekbeurt, voordracht (prelego)
3. exposé, melding, rapport, verslag (raporto)

vortragen*

1. declameren, opzeggen, voordragen (deklami)
2. reciteren, opzeggen, voordragen (reciti)

Vortragender*

1. spreker (parolanto)

vortrefflich*

1. excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk (bonega)

vorüber*

1. langs, voorbij (preter)

vorübergehen*

1. omkomen, overdrijven, overgaan, vergaan, verlopen, verstrijken (pasi)

vorübergehend*

1. kortstondig, vergankelijk, voorbijgaand (efemera)

vorüberkommen*

1. omkomen, overdrijven, overgaan, vergaan, verlopen, verstrijken (pasi)

Vorurteil*

1. vooringenomenheid, vooroordeel, vooropgezette mening (antaujugho)

Vorwand*

1. dekmantel, draaierij, smoes, smoesje, voorwendsel (preteksto)

vorwärts*

1. naar voren, voorover, vooruit, voort, voorwaarts (antauen)

Vorweis*

1. berisping, blaam, standje, terechtwijzing, uitbrander, verwijt (riprocho)

vorwerfen*

1. beknorren, berispen, terechtwijzen, verwijten (riprochi)

Vorwort*

1. voorbericht, voorrede, voorwoord (antauparolo)

Vorwurf*

1. berisping, blaam, standje, terechtwijzing, uitbrander, verwijt (riprocho)

Vorwürfe machen*

1. beknorren, berispen, terechtwijzen, verwijten (riprochi)

vorzählen*

1. opsommen (denombri)

Vorzeichen*

1. teken, voorbode, voorteken (antausigno)

vorzeigen*

1. blootleggen, etaleren, tentoonspreiden, uitkramen, uitstallen (elmontri)

Vorzeit*

1. oertijd, voortijd (pratempo)

vorziehen*

1. de voorkeur geven aan, prefereren, verkiezen, voortrekken (preferi)

Vorzug*

1. voorkeur, voorliefde (prefero)
2. prae, preferentie, privilege, voorrecht (privilegio)

vorzüglich*

1. excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk (bonega)
2. hoofd-, voornaamste (precipa)
3. in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk (precipe)
4. preferent, verkieslijk (preferinda)

Vorzugsaktie*

1. preferent aandeel (prefera akcio)
2. preferent aandeel (privilegiita akcio)

Vorzugsrecht*

1. prae, preferentie, privilege, voorrecht (privilegio)

votieren*

1. stemmen, zijn stem uitbrengen (vochdoni)

Votum*

1. stemming (vochdono)

vulgär*

1. alledaags, grof, ordinair, plat, vulgair (vulgara)

Vulkan*

1. vulkaan, vuurspuwende berg (vulkano)

Vulkan-*

1. vulkanisch (vulkana)

vulkanisch*

1. vulkanisch (vulkana)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
U Zurück W
U Niederländisch-Deutsch W
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003