Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)L

Laboratorium*

1. laboratorium (laboratorio)

Labyrinth*

1. doolhof, labyrint, warnet, wirwar (labirinto)

Lache*

1. gelach, hilariteit, lachbui (ridado)

lächeln*

1. glimlachen (rideti)

lachen*

1. lachen (ridi)

lächerlich*

1. belachelijk, gek, lachwekkend, mal, ridicuul, zot (ridinda)

Lachs*

1. zalm (salmo)

Lack*

1. lak (lako)

lacken*

1. lakken, verlakken (laki)

Lackierung*

1. lakwerk (lakajho)

Lackmus*

1. lakmoes (lakmuso)

Lade*

1. la, lade, schuiflade (tirkesto)

laden*

1. laden (shargi)
2. laden, beladen, belasten, inladen (sharghi)

Ladenfräulein*

1. verkoopster, winkeljuffrouw (vendistino)

Ladengehilfe*

1. bediende, kantoorbediende, winkelbediende (komizo)
2. verkoper (vendisto)

Laderaum*

1. ruim, scheepsruim (holdo)

Ladung*

1. lading (shargajho)
2. lading, last, vracht, vulling (shargho)

Lafette*

1. affuit (afusto)

Lage*

1. situatie, stand, stand van zaken, toestand (situacio)

Lager*

1. kamp, kampement, tentenkamp (tendaro)

Lagerhaus*

1. magazijn, pakhuis (magazeno)
2. pakhuis (vardomo)

Lagerhütte*

1. barak, keet, loods, schuur (barako)

Lagune*

1. lagune, kustmeer (laguno)

lahm*

1. hinkend, kreupel, mank (lama)

lähmen*

1. lamleggen, verlammen (paralizi)

lahm legen*

1. lamleggen, verlammen (paralizi)

Lähmung*

1. verlamming (paralizo)

Laich*

1. kikkerdril, kuit, viskuit (frajo)

laichen*

1. kuit schieten, paaien (fraji)

Laie*

1. leek, niet-ingewijde (laiko)

laienhaft*

1. leke-, wereldlijk (laika)

Lakai*

1. herenknecht, lakei (lakeo)

Laken*

1. laken (littuko)

lakonisch*

1. laconiek (lakona)

Lama*

1. lama, <lama (priester)> (lamao)
2. lama (lamo)

lamentieren*

1. steen en been klagen, weeklagen (lamenti)

Lamm*

1. lam (shafido)

Lämpchen*

1. lampion (lampiono)

Lampe*

1. lamp (lampo)

Lampion*

1. lampion (lampiono)

Land*

1. open veld, platteland (kamparo)
2. land (lando)
3. aarde, aardrijk, bodem, grond, land (tero)

Landauer*

1. landauer (landauo)

Landesverordnung*

1. edict, verordening (edikto)

Landgut*

1. bezitting, boerderij, goed, landgoed (bieno)

Landschaft*

1. landschap (pejzagho)

Landstraße*

1. eenbaansweg, heerbaan, rijweg, straatweg (shoseo)

lang*

1. lang (longa)

lange*

1. lang (longe)

Lanze*

1. lans, piek, speer, spies, spiets (lanco)

Lanzette*

1. lancet, vlijm (lanceto)

lapidar*

1. kernachtig, lapidair (lapidara)

Lapislazuli*

1. lazuursteen (lazurshtono)

Lappen*

1. flard, lap, lomp, lor, tod, vod, vodje (chifono)

Lappland*

1. Lapland (Laponujo)

Lappländer*

1. Lap, Laplander (lapono)

Lärche*

1. lariks, lork, lorkeboom (lariko)

lärmen*

1. aangaan, denderen, rommelen, rumoeren, te keer gaan (brui)

lärmend*

1. roerig, rumoerig, stormachtig (tumulta)

Larve*

1. larve (larvo)

Larynx*

1. strottehoofd (laringo)

lassen*

1. laten, laten begaan, laten schieten, loslaten, toelaten (lasi)

Lasso*

1. lasso (lazo)

Last*

1. lading, last, vracht (portajho)
2. lading, last, vracht, vulling (shargho)

Lastauto*

1. truck, vrachtauto, vrachtwagen (kamiono)
2. truck, vrachtauto, vrachtwagen (sharghauto)

lästern*

1. godlasteren, ketteren, vloeken, vervloeken (blasfemi)

Lästiges*

1. benardheid, hinder, knelpunt, penarie, verlegenheid (embaraso)

lästig fallen*

1. belemmeren, hinderen, storen, verstoren (gheni)

Lastkraftwagen*

1. truck, vrachtauto, vrachtwagen (kamiono)
2. truck, vrachtauto, vrachtwagen (sharghauto)

Lasur*

1. azuur, hemelsblauw, lazuur (lazuro)

Lasurstein*

1. lazuursteen (lazurshtono)

Latein*

1. Latijn (latino)

lateinisch*

1. Latijns (latina)

latent*

1. latent, verborgen (latenta)

Laterne*

1. lantaarn (lanterno)

Latrine*

1. latrine (latrino)

Latte*

1. lat (lato)

Lattich*

1. latuw, salade, sla, kropsla (laktuko)

Latun*

1. geelkoper, latoen, messing (latuno)

Laube*

1. spint (alburno[2])
2. prieel (laubo)

Lauf*

1. gang, loop (irmaniero)

Laufbahn*

1. carrière, loopbaan (kariero)

laufen*

1. hardlopen, hollen, rennen, snellen (kuri)
2. lopen, marcheren, tippelen (marshi)

Läufer*

1. loper, gangloper (irtapisho)

Laufgraben*

1. loopgraaf (trancheo)

Laufplanke*

1. loopplank (pashtabulo)

Lauge*

1. loog (lesivo)

Laugensalz*

1. alkali, loogzout (alkalo)

Laune*

1. bevlieging, bui, gril, kuur, nuk, speling (kaprico)

Laureat*

1. bekroonde, gelauwerde (laureato)

Laus*

1. luis (pediko)

laut*

1. luidruchtig (brue)
2. hard, luid (lauta)
3. hardop, luid (laute)

Laute*

1. luit (liuto)

lauten*

1. luiden (teksti)

läuten*

1. gaan, kleppen, klinken, overgaan, slaan (soni)
2. aflopen, beieren, galmen, kleppen, luiden, schalmen (sonori)

Lautlehre*

1. fonetiek, klankleer (fonetiko)

lautlos*

1. stilletjes (senbrue)

Lava*

1. lava (lafo)

Lawendel*

1. lavendel (lavendo)

Lawine*

1. lawine (lavango)

Lazarett*

1. lazaret (lazareto)

leben*

1. leven (vivi)

lebend*

1. levend, levendig (viva)

lebendig*

1. levend, levendig (viva)

Lebendigkeit*

1. levendigheid (viveco)

Lebensbeschreibung*

1. biografie, levensbeschrijving (biografio)

Lebenshaltung*

1. levensstandaard (vivnivelo)

Lebenslehre*

1. biologie (biologio)

Lebensmittel*

1. levensmiddelen (nutrajhoj)
2. middelen van bestaan, victualiën (vivrimedoj)

lebensvoll*

1. levend, levendig (viva)

Leber*

1. lever (hepato)

lebe wohl*

1. adieu, vaarwel (adiau)

lebhaft*

1. levend, levendig (viva)

Lebhaftigkeit*

1. levendigheid (viveco)

lechzen nach*

1. haken naar, hunkeren, smachten, smachten naar, snakken naar (deziregi)

lecken*

1. likken (leki)

Leder*

1. leder, leer (ledo)

ledern*

1. leerachtig, lederen, leren, taai (leda)

lediglich*

1. alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend (nur)

leer*

1. hol, ledig, leeg, lens, loos (malplena)

leerstehen*

1. openstaan, vacant zijn, vaceren, vakant zijn (vaki)

Legat*

1. legaat, pauselijk gezant (legato)

legen*

1. leggen, neerleggen, vlijen (kushigi)
2. leggen, plaatsen, situeren, stationeren (loki)
3. leggen, steken, plaatsen, stellen, stoppen, zetten (meti)
4. planten, aanplanten, poten (planti)

Legende*

1. legende, volksoverlevering (legendo)

Legierung*

1. alliage, legering, metaalmengsel (alojo)

Legion*

1. legioen (legio)

legitim*

1. echt, legaal, wettelijk, wettig (legha)

Legitimation*

1. legitimatie (legitimado)

legitimieren*

1. echten, legitimeren (legitimi)

Legumin*

1. legumine (legumino)

Lehen*

1. leen, leengoed (feudo)

Lehm*

1. klei (argilo)

lehnen*

1. schragen, steunen, stutten, ondersteunen (apogi)

Lehnsmann*

1. leenman, vazal (vasalo)

Lehnstuhl*

1. fauteuil, leuningstoel, leunstoel, zorgstoel (apogsegho)
2. armstoel, fauteuil, leunstoel, zorgenstoel (braksegho)

Lehraufgabe*

1. les (leciono)

Lehre*

1. doctrine, leer, geloofsleer (doktrino)

lehren*

1. bijbrengen, instrueren, leren, scholen (instrui)

Lehrer*

1. instructeur, leraar, onderwijzer, schoolmeester (instruisto)

Lehrerin*

1. lerares, onderwijzeres, schooljuffrouw (instruistino)

Lehrfabel*

1. tabel (apologo)

Lehrzeit*

1. leertijd (lernotempo)

Leib*

1. lichaam, lijf, romp (korpo)

Leibchen*

1. lijf, keurslijf, lijfje (korsajho)

Leibeigenschaft*

1. herendienst, lijfeigenschap (servuto)

Leibesfrucht*

1. embryo, kiem (embrio)

Leibrente*

1. apanage, jaargeld, toelage (apanagho)

Leichdorn*

1. eelt, eksteroog, likdoorn (kalo)

Leiche*

1. kadaver, kreng, lijk (kadavro)

leicht*

1. licht, makkelijk, gemakkelijk, vlot (facila)

leicht berühren*

1. beroeren, strijken langs (tusheti)

leichtfertig*

1. frivool, lichtzinnig, wuft (frivola)

leichtgläubig*

1. lichtgelovig (kredema)

Leichtigkeit*

1. gewichtloosheid (senpezeco)

leiden*

1. doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen (suferi)

Leidenschaft*

1. hartstocht, lust, passie, roes, verslaving, verwoedheid (pasio)

leidenschaftlich*

1. dweepziek, dwepend, fanatiek (fanatika)

leider*

1. helaas, jammer, jammer genoeg, tot mijn spijt (bedaurinde)

Leierkasten*

1. draaiorgel, pierement (gurdo)

Leihauto*

1. huurauto (luita auto)

leihen*

1. lenen (prunti)

leihweise*

1. te leen (prunte)

leimen*

1. lijmen, hechten, plakken (glui)

Lein*

1. vlas (lino)

Leine*

1. koord, koorde, lijn, lijntje, snoer, touw (shnuro)

Leinenzeug*

1. linnen, linnengoed, pellengoed (tolajho)

Leinpflanze*

1. vlas (lino)

Leinwand*

1. doek, lijnwaad, linnen (tolo)

leise*

1. stil, zacht, zwak (mallauta)

leisten*

1. nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken (plenumi)

Leistengegend*

1. lies (ingveno)

leiten*

1. maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren (fari)
2. de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden (gvidi)
3. besturen, brengen, leiden, geleiden, voeren (konduki)

Leiter*

1. bestuurder, directeur (direktoro)
2. ladder (eskalo)
3. ladder (shtupetaro)

Leitfaden*

1. compendium, handboek, handleiding (kompendio)

Lektion*

1. les (leciono)

Lektor*

1. lector (lektoro)

Lende*

1. kruis, lende (lumbo)

Lendenstück*

1. haas, lendestuk (lumbajho)

lenken*

1. de weg wijzen, leiden, geleiden, rondleiden (gvidi)

Lenkrad*

1. roer, stuur (direktilo)
2. stuur, stuurtoestel (stirilo)
3. stuurrad, stuurwiel (stirrado)

Lenz*

1. lente, voorjaar (printempo)

Leopard*

1. luipaard, panter (leopardo)

Lerche*

1. leeuwerik (alaudo)

lernen*

1. leren, aanleren (lerni)

Lese*

1. oogst, opbrengst (rikolto)

lesen*

1. lezen (legi)

leserlich*

1. leesbaar (legebla)

Lethargie*

1. doffe onverschilligheid, lethargie, schijndood, zinsverdoving (letargio)

Letter*

1. letter (litero)

letzte*

1. achterste, jongstgeleden, laatst (lasta)

letzter*

1. achterste, jongstgeleden, laatst (lasta)

letztes*

1. achterste, jongstgeleden, laatst (lasta)

leuchten*

1. aan zijn, lichten, licht geven, schijnen (lumi)

Leuchtkäfer*

1. glimworm (lampiro)

Leuchtturm*

1. lichttoren, vuurbaak, vuurtoren (lumturo)

leugnen*

1. loochenen, ontkennen (nei)

Leute*

1. lieden, lui, mensen, volk (homoj)
2. lieden, mensen, personen (personoj)

Leutnant*

1. luitenant (leutenanto)

Levit*

1. Leviet (levido)

Levkoje*

1. violier (levkojo)

Lexikon*

1. lexicon (leksikono)

Liane*

1. liaan (liano)

Libelle*

1. juffertje, libel, waterjuffer (libelo)
2. waterpas (nivelilo)

liberal*

1. liberaal, vrijzinnig (liberala)

Licentiat*

1. doctorandus, licentiaat (licenciato)

-lich*

1. -baar (-ebla)

licht*

1. hel, helder, klaar, licht (hela)

Lichtmeß*

1. Maria-Lichtmis (Kandelfesto)

lichtvoll*

1. hel, helder, klaar, licht (hela)

lieb*

1. dierbaar, lief (kara[1])

liebeln*

1. aan de scharrel zijn, fladderen, flirten, scharrelen, wapperen (flirti)

lieben*

1. beminnen, houden van, liefhebben (ami)

lieber*

1. eer, liever (pli volonte)
2. bij voorkeur, eer, liefst, liever, veeleer (prefere)

Liebesmahl*

1. agape, liefdemaal (agapo)

Liebesroman*

1. liefdesroman (amromano)

Liebhaber*

1. amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber (amatoro)

lieblich*

1. bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig (charma)

lieblos*

1. liefdeloos (senama)

Lied*

1. lied, zang, gezang (kanto)

liederlich leben*

1. aan de rol zijn, brassen, boemelen, slempen, uitspatten, zwijnen (dibochi)

liefern*

1. bestellen, leveren, afleveren, toevoeren (liveri)

Lieferungsausschreibung*

1. aanbesteding, gunning (aljughado)
2. aanbesteding (konkura kontraktkomisiado)
3. aanbesteding (laborenskribo)
4. aanbesteding (prezkonkurado)
5. aanbesteding, inschrijving (prezkonkuro)

liegen*

1. liggen (kushi)
2. gelegen zijn, liggen (situi)

Lift*

1. lift (lifto)

Liga*

1. bond, liga, verbond (ligo)

Lignit*

1. bruinkool, ligniet (lignito)

Likör*

1. likeur (likvoro)

lila*

1. lila (siringoviola)

Lilie*

1. lelie (lilio)

Limonade*

1. limonade (limonado)

Linde*

1. linde, lindeboom (tilio)

Lindenbaum*

1. linde, lindeboom (tilio)

Linguistik*

1. linguïstiek, taalkunde, taalwetenschap (lingvistiko)

Linie*

1. lijn, linie, regel, schreef, streep, toer (linio)

liniieren*

1. lijnen, liniëren (linii)

links*

1. links (maldekstre)

Linnen*

1. doek, lijnwaad, linnen (tolo)

Linoleum*

1. lijnolie (linoleo)

Linotype*

1. regelzetmachine (linotipo)

Linse*

1. linze (lento)

Lippe*

1. lip (lipo)

liquid*

1. dun, vloeibaar (likva)

liquidieren*

1. afwikkelen, liquideren, opheffen, solveren (likvidi)

List*

1. list, slimmigheid (ruzo)

Liste*

1. ceel, cedel, lijst, rol (listo)

listig*

1. doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen (ruza)

Litanei*

1. litanie (litanio)

Litauen*

1. Litouwen (Litovujo)

Liter*

1. liter (litro)

Literatur*

1. letterkunde, literatuur, litteratuur (literaturo)

Lithauer*

1. Litouwer (litovo)

lithauisch*

1. Litouws (litova)

Lithium*

1. lithium (litio)

Lithologie*

1. lithologie, steenkunde (litologio)

Lithotritie*

1. lithotripsie (litotricio)

litographieren*

1. lithograferen (litografi)

Liturgie*

1. liturgie (liturgio)

Livree*

1. livrei (livreo)

Lizenz*

1. licentie, vergunning (licenco)

LKW*

1. truck, vrachtauto, vrachtwagen (kamiono)
2. truck, vrachtauto, vrachtwagen (sharghauto)

Lob*

1. lof, pluim (laudo)

loben*

1. loven, prijzen, roemen, verheerlijken (glori)
2. lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen (laudi)

Lobgesang*

1. hymne, kerkgezang (himno)

Loch*

1. gat, mond, opening (aperturo)
2. gat, oog (truo)

lochen*

1. doorzeven, knippen, ponsen (trui)

Locke*

1. krul, haarkrul, lok, haarlok (buklo)

locken*

1. lokken (logi)

Löffel*

1. lepel, eetlepel (kulero)

Logarithmus*

1. logaritme (logaritmo)

Loge*

1. loge, loggia (loghio)

Loggia*

1. loge, loggia (loghio)

Logik*

1. logica (logiko)

logisch*

1. logisch (logika)

Logogriph*

1. letterraadsel, woordenraadsel (logogrifo)

Lohn*

1. beloning, loon, vergelding (rekompenco)

lohnen*

1. lonen, belonen, terugdoen, vergelden, wedervergelden (rekompenci)

lokal*

1. lokaal, plaatselijk (loka)

lokalisieren*

1. localiseren, lokaliseren (lokalizi)

Lokomobile*

1. locomotief, stoommachine (lokomobilo)

Lokomotive*

1. locomotief (lokomotivo)

Lolch*

1. dolik, raaigras (lolo)

London*

1. Londen (Londono)

Lorbeer*

1. laurier, lauwer (lauro)

Lorbeerbaum*

1. laurier, lauwer (lauro)

Lord*

1. lord (lordo)

Los*

1. fortuin, lot, levenslot (sorto)

los-*

1. <voorvoegsel dat begin en korstondigheid aanduidt> (ek-)

löschen*

1. afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen (amortizi)
2. aflossen, delgen (elpagi)

Löschpapier*

1. vloeipapier (sorba papero)

losen*

1. loten (loti)

lösen*

1. ontraadselen, oplossen (solvi[2])

losreißen*

1. afbreken, afrukken, plukken, afplukken, wegscheuren (deshiri)

Lösung*

1. oplossing, uitkomst (solvo)

Lot*

1. decagram, lood, loodje, peillood, schietlood, waterpas (lodo)

löten*

1. solderen (luti)

Lothringen*

1. Lotharingen (Loreno)

lotsen*

1. besturen, binnenbrengen, loodsen (piloti)

Lotterie*

1. loterij, verloting (loterio)

Lotto*

1. loterij, verloting (loterio)

Louisdor*

1. louis d'or (luidoro)

Löwe*

1. leeuw (leono)

Löwen*

1. Leuven (Loveno)

Löwenzahn*

1. leeuwetand, paardebloem (leontodo)

Löwin*

1. leeuwin (leonino)

loyal*

1. loyaal, trouw, getrouw, trouwhartig (lojala)
2. eenvoudig, naïef, ongekunsteld (senartifika)

Luchs*

1. los, lynx (linko)

Lücke*

1. bres, gaping, opening (brecho)

Luft*

1. lucht (aero)

Luftballon*

1. ballon, luchtballon (aerostato)

luftdicht*

1. hermetisch, luchtdicht (hermetika)

Luftdruck*

1. luchtdruk (aerpremo)

lüften*

1. luchten, spuien, uitluchten, ventileren (aerumi)

Luftgütemesser*

1. eudiometer (eudiometro)

Luftmesser*

1. aërometer, luchtmeter, luchtweger (aerometro)

Luftröhrenast*

1. bronchie, longpijp, luchtpijptak (bronko)

Luftschiffahrtskunde*

1. luchtvaartkunde (aeronautiko)

Luftschiffer*

1. aëronaut, luchtschipper, luchtvaarder, vliegenier (aeronauto)

Luftschloß*

1. belvédère, uitkijktoren, uitzichttoren (belvedero)

Luftspiegelung*

1. fata morgana, luchtspiegeling (miragho)

Luftsprung*

1. bokkesprong (kapriolo)

lügen*

1. liegen (mensogi)

Lunch*

1. lunch, twaalfuurtje (luncho)

Lunge*

1. long (pulmo)

Lunte*

1. tondel (mechajho)
2. staart (vosto)

Lust*

1. begeerte, lust, verlangen, wens, zin, zucht (deziro)
2. aanvechting, lust, neiging, zin (inklino)
3. hartstocht, lust, passie, roes, verslaving, verwoedheid (pasio)
4. geilheid, lust, wellust (volupto)

Lüster*

1. kroon, luchter, kroonluchter (lustro)

lüstern*

1. begerig, belust, gretig, happig, verlekkerd (avida)

lustig*

1. lustig, monter, vrolijk (gaja)

Lustspiel*

1. blijspel, komedie (komedio)

Lustwäldchen*

1. bosje, bosschage, hakhout (bosko)

Lutheraner*

1. lutheraan (luterano)

lutschen*

1. lurken, zuigen, opzuigen (suchi)

Lüttich*

1. Luik (Liegho)

luxuriös*

1. luxueus, weelderig (luksa)

Luxus*

1. lux, luxe, pracht, weelde, weelderigheid (lukso)

Luzifer*

1. Lucifer (Lucifero)

Lyceum*

1. lyceum (liceo)

Lymphe*

1. lymfe (limfo)

lynchen*

1. lynchen (linchi)

Lyrik*

1. lyriek (liriko)

lyrisch*

1. lyrisch (lirika)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
K Zurück M
K Niederländisch-Deutsch M
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003