Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)I

Ibis*

1. ibis (ibiso)

ich*

1. 'k, ik (mi[1])
2. 'k, ik (mi[2])
3. 'k, ik (mi[3])
4. 'k, ik (mi[4])

Ideal*

1. ideaal (idealo)

idealisieren*

1. idealiseren (idealigi)

Idealismus*

1. idealisme (idealismo)

Idealist*

1. idealist (idealisto)

Idee*

1. begrip, benul, denkbeeld, idee, voorstelling (ideo)

identifizieren*

1. identificeren, vereenzelvigen (identigi)

identisch*

1. identiek (identa)

Identität*

1. identiteit (identeco)

Ideographie*

1. beeldschrift, ideografie (ideografio)

Idiom*

1. idioom, taaleigen (idiomo)

Idiot*

1. idioot, zwakhoofd (idioto)

Idol*

1. afgod, idool (idolo)

Idyll*

1. idylle (idilio)

idyllisch*

1. idyllisch (idilia)

Igel*

1. egel (erinaco)

ignorieren*

1. negeren, onder tafel schuiven, passeren, wegcijferen (ignori)

ihm*

1. aan 'm, aan hem, 'm, hem, naar 'm, naar hem (al li)
2. daaraan, daar ... aan, eraan, er ... aan, erheen, er ... heen (al ghi)
3. 'ie, 'm, hem, hij (li)
4. 't, het (ghi)

ihn*

1. 'ie, 'm, hem, hij (li)
2. 'm, hem (lin)

ihr*

1. aan haar, aan 'r, aan d'r, haar, 'r, d'r, naar haar, naar d'r (al shi)
2. ge, gij, u (vi[2])
3. je, jullie (vi[6])
4. haar, zijn (ghia)
5. 'r, d'r, haar, ze, zij (shi)
6. haar (shia)

ihre*

1. haar, hun (ilia)

ihrer*

1. 'r, d'r, haar, ze, zij (shi)

ihrethalben*

1. om uwentwege (pro vi)

ihrige*

1. uw, je, jouw, jullie (via)
2. haar (shia)

Illumination*

1. illuminatie (iluminado)

illuminieren*

1. illumineren, verlichten (ilumini)

Illusion*

1. begoocheling, drogbeeld, illusie, waan, zinsbedrog (iluzio)

Illustration*

1. illustratie, verluchting (ilustrajho)

illustrieren*

1. illustreren, veraanschouwelijken, verluchten (ilustri)

Iltis*

1. bunzing (putoro)

imaginär*

1. denkbeeldig, ideëel, imaginair, verdicht (imaga)

im Gegensatz*

1. daarentegen, ertegenover, integendeel (kontraue)

Imitation*

1. imitatie, nabootsing, navolging (imitado)
2. imitatie, navolging (imito)

imitieren*

1. imiteren, nabootsen, nadoen (imiti)

im Jenseits*

1. aan de overkant (transe)

immatrikulieren*

1. inschrijven (enmatrikuligi)

immer*

1. constant, onophoudelijk, permanent, voortdurend (konstante)
2. altijd, immer, steeds (chiam)

Immergrün*

1. maagdenpalm (vinko)

immerhin*

1. bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker (certe)
2. immers, toch, wel, zeker (ja)

Immobilien*

1. onroerend goed, vastgoed (nemoveblajho)

immun*

1. immuun, onvatbaar, resistent (imuna)

Imperativ*

1. gebiedende wijs, imperatief (imperativo)
2. gebiedende wijs, imperatief (ordona modo)

Imperator*

1. keizer (imperiestro)

Imperfekt*

1. imperfectum, onvoltooid verleden tijd (imperfekto)

Imperfektum*

1. imperfectum, onvoltooid verleden tijd (imperfekto)

Imperiale*

1. imperiaal (imperialo)

Imperialismus*

1. imperialisme (imperialismo)

impertinent*

1. aanmatigend, arrogant, hautain, laatdunkend, verwaand, verwaten (aroganta)
2. brutaal, onbeschaamd, vrijpostig (impertinenta)
3. brutaal, driest, onbeschaamd, schaamteloos (senhonta)

impfen*

1. enten, inenten, oculeren (inokuli)

imponieren*

1. imponeren, indruk maken op (imponi)

Import*

1. import, invoer (importo)

importieren*

1. importeren, invoeren (importi)

imposant*

1. imponerend, indrukwekkend (impona)

impotent*

1. impotent (impotenta)

imprägnieren*

1. impregneren (impregni)

Impressario*

1. impresario (impresario)

improvisieren*

1. improviseren (improvizi)

Impuls*

1. aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing (impulso)

imputieren*

1. aanrekenen, toedichten, toeschrijven, toerekenen, wijten (imputi)

im Recht*

1. gegrond, gelijk hebbend, juist (prava)

im Scherz*

1. schertsenderwijs, voor de grap (sherce)

im Sommer*

1. 's zomers, in de zomer (somere)

imstande*

1. bekwaam, capabel, kundig (kapabla)

im Überfluß*

1. in overvloed, rijkelijk, ruimschoots, volop (abunde)

im Zickzack gehen*

1. zigzaggen, zigzag gaan, zigzagsgewijs lopen (zigzagi)

im Zickzack verlaufen*

1. zigzaggen, zigzag gaan, zigzagsgewijs lopen (zigzagi)

in*

1. aan, bij, naar, tegen, tot, voor (al)
2. aan, in, binnen, per, te (en)

in Anspruch nehmen*

1. bekleden, beslaan, bezetten, bezig houden, in beslag nemen (okupi)

Inauguration*

1. inauguratie (inauguracio)

in Begleitung von*

1. met, samen met (kun)

Inbegriff*

1. volkomenheid (tuteco)

in Bestürzung versetzen*

1. onthutsen, ontstellen, ontzetten, verbijsteren, verbluffen (konsterni)

in Briefwechsel stehen*

1. corresponderen (korespondi)

Inbrunst*

1. gloed, vuur (ardo)
2. ambitie, ijver, vuur (fervoro)

Inder*

1. Indiër (hindo)

indes*

1. daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang (dume)

Index*

1. index, inhoudsopgave, register (indekso)

India*

1. India (Hindujo)

Indianer*

1. Indiaan (indiano)

in die Ferien gehen*

1. op vakantie gaan (ekferii)

Indien*

1. India (Hindujo)

in dieser Hinsicht*

1. dienaangaande, in dat opzicht, wat dat betreft (tiurilate)

indifferent*

1. lauw, onverschillig (indiferenta)

Indigo*

1. indigo (indigo)

Indikativ*

1. aantonende wijs, indicatief (indikativo)

indirekt*

1. indirect, zijdelings (nerekta)
2. scheef, schuin (oblikva)
3. indirect, middellijk, zijdelings (pera)

indisch*

1. Indiaas, Indisch (hinda)

indiskret*

1. bemoeiziek, indiscreet (maldiskreta)

Indiskretion*

1. indiscretie (maldiskretajho)
2. bemoeizucht, indiscretie (maldiskreteco)

individuell*

1. individueel, hoofdelijk (individua)

Individuum*

1. enkeling, individu, sujet (individuo)

indolent*

1. apathisch, lusteloos, melig, ongevoelig, wezenloos (apatia)

Induktion*

1. inductie (induko)

Industrie*

1. industrie, nijverheid (industrio)

infam*

1. oneervol, schandelijk, smadelijk (malhonora)
2. gemeen, infaam, laag, laaghartig, schunnig, vuig (malnobla)

Infamie*

1. schandvlek (malhonorajho)
2. laagheid, schanddaad, schunnigheid, smeerlapperij (malnoblajho)

Infanterie*

1. infanterie, voetvolk (infanterio)

Infektion*

1. besmetting, infectie (infektado)
2. besmetting, infectie (infekto)

Infinitiv*

1. infinitief, onbepaalde wijs (infinitivo)

infizieren*

1. aansteken, besmetten, infecteren, verpesten (infekti)

Information*

1. voorlichting (informado)

informieren*

1. berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten (informi)

infundieren*

1. aftrekken, laten trekken, zetten (infuzi)

Ingenieur*

1. ingenieur (ingheniero)

Ingwer*

1. gember (zingibro)

Inhaber*

1. gerant, manager, menner (direktanto)
2. bezitter, houder (posedanto)
3. eigenaar (proprietulo)

Inhalt*

1. inhoud (enhavo)
2. inhoud (entenajho)

inhibieren*

1. belemmeren, beletten, doorkruisen, storen, stremmen, verhinderen (malhelpi)

in Holz schneiden*

1. houtsneden maken (ksilografi)

Initial*

1. beginletter, initiaal (komenca litero)
2. beginletter, voorletter (komenclitero)

Initiative*

1. initiatief (iniciativo)
2. initiatief (iniciato)

Initiator*

1. initiatiefnemer (iniciatoro)

Injektor*

1. spuit, injectiespuit (injektilo)

injizieren*

1. injecteren, inspuiten (injekti)

Inkasso*

1. incassering, incasso, inning (enkasigo)

in keiner Weise*

1. geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze (neniel)

Inklination*

1. aanvechting, lust, neiging, zin (inklino)

inklusive*

1. incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met (inkluzive)

inkognito*

1. incognito (inkognite)

inkorrekt*

1. incorrect, onzuiver (nekorekta)

in Mißkredit bringen*

1. afbreken, afgeven op, afkammen (diskreditigi)

inmitten*

1. nogal, tamelijk, tussenin (meze)

inmitten von*

1. medio, midden, in het midden van, middenin, te midden van (meze de)

inne*

1. binnen, daarbinnen (interne)

innehaben*

1. hebben, erop nahouden (havi)

innerhalb*

1. binnen, daarbinnen (interne)

innerlich*

1. binnenste, binnenlands, intern, inwendig (interna)

inne werden*

1. leren kennen (ekkoni)
2. bespeuren, gewaarworden (ekrimarki)

innig*

1. gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk (intima)

Innung*

1. gilde (gildo)
2. corporatie, gilde, vakvereniging (korporacio)

in Ohnmacht fallen*

1. bewusteloos raken, bezwijmen, flauw vallen, in zwijm vallen (sveni)

in Person*

1. in eigen persoon, persoonlijk (persone)

Inquisition*

1. inquisitie, kettergericht (inkvizicio)

Inquisitor*

1. inquisiteur (inkvizitoro)

in Ruin*

1. bouwvallig, vervallen, tot puin vervallen (ruina)

Insasse*

1. bewoner, ingezetene, inwoner (enloghanto)

insbesondere*

1. in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk (precipe)

Inscenierung*

1. mise-en-scène (enscenigo)

in Schrecken setzen*

1. doen schrikken, schrik aanjagen, verschrikken (teruri)

Inschrift*

1. boeking, inschrijving (enskribo)
2. inschrift, inscriptie, opschrift (epigrafo)

Insekt*

1. insekt (insekto)

Insektenkunde*

1. entomologie, insektenkunde (entomologio)

Insel*

1. eiland (insulo)

Inselgruppe*

1. archipel, eilandengroep, eilandenzee (arhhipelago)

Inselmeer*

1. archipel, eilandengroep, eilandenzee (arhhipelago)

Inserat*

1. aankondiging, advertentie, bericht (anonco)

inserieren*

1. indoen, inleggen, inzetten (enmeti)
2. inlassen, tussenlassen, tussenvoegen (intermeti)

ins Exil schicken*

1. uitbannen, verbannen (ekzili)

insgeheim*

1. heimelijk, in het geheim, privatim, stiekem, stilletjes (sekrete)

insgemein*

1. samen, tezamen (komune)

insgesamt*

1. aaneen, bijeen, ineen, samen, tezamen (kune)
2. welgeteld (chiuj kune)

Insignien*

1. blazoen, insigne, wapen (insigno)

Insignum*

1. blazoen, insigne, wapen (insigno)

Inskription*

1. boeking, inschrijving (enskribo)

insofern*

1. als, indien, ingeval, wanneer (se)
2. mits (se nur)
3. evenveel, zo, zoveel, zozeer (tiom)

insolvent*

1. insolvent (nesolventa)

Inspektor*

1. inspecteur (inspektoro)

inspirieren*

1. bezielen, inboezemen, inspireren (inspiri)

inspizieren*

1. examineren, nakijken, onderzoeken, nauwkeurig onderzoeken (ekzameni)
2. inspecteren, inspectie houden, schouwen, visiteren (inspekti)

installieren*

1. aanleggen, fitten, installeren (instali)

Instanz*

1. instantie (instanco)

Instinkt*

1. aandrift, instinct (instinkto)

Institut*

1. gesticht, inrichting, instituut, kostschool (instituto)

Institution*

1. instelling (institucio)

instruieren*

1. bijbrengen, instrueren, leren, scholen (instrui)

Instruktion*

1. aanwijzing, consigne, instructie (instrukcio)

Instrument*

1. instrument, werktuig (instrumento)

in Stuck arbeiten*

1. pleisteren, bepleisteren, stukadoren (stuki)

Insulaner*

1. eilandbewoner (insulano)

Insurgent*

1. muiter, oproerling, rebel (ribelanto)

intakt*

1. gaaf, heel, intact, onbeschadigd, zonder gebreken (sendifekta)

Integral*

1. integraal (integralo)

Intellekt*

1. geest, intellect, verstand (intelekto)

intellektuell*

1. intellectueel, verstandelijk (intelekta)
2. geestelijk (spirita)

intelligent*

1. bevattelijk, intelligent, knap, snugger (inteligenta)

Intendant*

1. intendant, meier, opzichter, rentmeester, zaalchef (intendanto)

intensiv*

1. fel, intens, intensief, sterk (intensa)

Interdikt*

1. interdict (interdikto)
2. interdict, verbod (malpermeso)

Interesse*

1. belangstelling (interesigho)
2. aangelegenheid, belang, belangstelling (intereso)
3. baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst (profito)
4. baat, belang, nut, voordeel (utilo)

interessieren*

1. belang inboezemen, interesseren (interesi)

Interim-*

1. tijdelijk, voorlopig (provizora)

Interjektion*

1. tussenwerpsel (interjekcio)

intermittieren*

1. met tussenpozen werken (intermiti)

intern*

1. binnenste, binnenlands, intern, inwendig (interna)

international*

1. internationaal (internacia)

internieren*

1. interneren (internigi)

Interpellation*

1. interpellatie (interpelacio)

interpellieren*

1. interpelleren (interpelacii)

Interpret*

1. tolk, vertolker (interpretisto)

interpretieren*

1. duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken (interpreti)

Interpunktion*

1. interpunctie, punctuatie (interpunkcio)

Intervall*

1. ad interim, tussenpoos, tussentijd (intertempo)

Interview*

1. interview, vraaggesprek (intervjuo)

intim*

1. gezellig, innig, intiem, knus, vertrouwelijk (intima)

intolerant*

1. onverdraagzaam (netolerema)

intransitiv*

1. intransitief, onovergankelijk (netransitiva)

Intrigue*

1. intrige, konkelarij, machinatie, verwikkeling (intrigo)

intriguieren*

1. intrigeren, konkelen, bekonkelen (intrigi)

in Unordnung bringen*

1. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen (konfuzi)

Invalide*

1. invalide (invalido)

Invasion*

1. inval, invasie (invado)

Inventar*

1. boedel, inventaris (inventaro)

in Verfall*

1. bouwvallig, vervallen, tot puin vervallen (ruina)

invers*

1. averechts, omgekeerd, tegengesteld (inversa)

Inversion*

1. inversie, woordomzetting (inversio)

in Versuchung führen*

1. bekoren, in verzoeking brengen, verleiden, verlokken, verzoeken (tenti)

in Verwirrung bringen*

1. dooreenhalen, van zijn stuk brengen, verwarren, verwisselen (konfuzi)

in Verwunderung setzen*

1. bevreemden, verbazen, verwonderen (mirigi)

investieren*

1. beleggen, inhuldigen, investeren (investi)

Investitur*

1. investituur (investituro)

inwendig*

1. binnenste, binnenlands, intern, inwendig (interna)
2. binnen, daarbinnen (interne)

inwieweit*

1. tot hoever (ghis kie)

inzwischen*

1. daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang (dume)

irden*

1. aarden, klei-, van klei (argila)

irdisch*

1. aarden, aards (tera)

Ire*

1. Ier (irlandano)

irgendein*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)

irgend einer*

1. een of ander, een of andere, enig, iemand (iu)

irgend eines*

1. iemands (ies)

irgendetwas*

1. iets (io)

irgend jemandes*

1. iemands (ies)

irgendwann*

1. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)

irgend warum*

1. om de een of andere reden (ial)

irgendwas*

1. iets (io)

irgendwelch*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)

irgendwer*

1. een of ander, een of andere, enig, iemand (iu)

irgendwie*

1. op de een of andere manier, op een of andere wijze (iel)

irgendwo*

1. ergens, hier of daar (ie)

irgendwohin*

1. ergens heen (ien)

Irland*

1. Ierland (Irlando)

Ironie*

1. ironie (ironio)

irre*

1. dol, dolzinnig, gek, krankzinnig, stapel, uitzinnig, waanzinnig (freneza)

irreführen*

1. misleiden, op een dwaalspoor zetten (erarigi)

Irrelehre*

1. ketterij (herezo)

irren*

1. dolen, dwalen, ronddolen, ronddwalen, waren, zwerven (vagi)

irre reden*

1. ijlen, kolderen, malen, raaskallen (deliri)

irrig*

1. fout, foutief, onjuist, verkeerd (erara)

Irrlicht*

1. dwaallicht (vaglumo)

Irrtum*

1. abuis, fout, dwaling, vergissing (eraro)

Irrwisch*

1. aardmannetje, kabouter, kobold (koboldo)

Islam*

1. islam, mohammedanisme (islamo)

Island*

1. IJsland (Islando)

-ismus*

1. -isme (-ismo)

Isolator*

1. isolator (izolilo)

isolieren*

1. afzonderen, isoleren (izoli)

Isolier-Gefäß*

1. thermosfles (termoso)
2. thermosfles (varmbotelo)

Israel*

1. Israel, Israël (Israelo)
2. Israel, Israël (Izraelo)

Isthmus*

1. landengte (terkolo)

Italien*

1. Italië (Italujo)

Italiener*

1. Italiaan (italo)

italienisch*

1. Italiaans (itala)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
H Zurück J
H Niederländisch-Deutsch J
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003