Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)E

Ebbe*

1. eb (refluo)

Ebbe und Flut*

1. tij, getij (tajdo)

eben*

1. effen, gelijk, vlak (ebena)
2. juist, net, pas, straks, zoëven, zojuist (jhus)

Ebene*

1. vlakte (ebenajho)

ebenfalls*

1. eveneens, evenzeer, mede, ook (ankau)

Ebenholz*

1. ebbehout (ebono)

Ebenmaß*

1. symmetrie (simetrio)

ebenso*

1. even, zo (tiel[2])
2. evenzo, zo ook (tiel same)

ebensosehr*

1. evenveel, zo, zoveel, zozeer (tiom)

ebensoviel*

1. evenveel, zo, zoveel, zozeer (tiom)

ebenso ... wie*

1. even ... als (same ... kiel)
2. even ... als, zo ... als (tiel ... kiel)

Eber*

1. ever, everzwijn, wild zwijn (apro)

Eberesche*

1. lijsterbes, lijsterbessestruik (sorpujo)

Ebereschenbeere*

1. lijsterbes (sorpo)

Eberraute*

1. averuit, citroenkruid (abrotano)

ebnen*

1. effenen, gelijkmaken, slechten (ebenigi)

Echo*

1. Echo (Ehho)
2. echo, nagalm, naklank, weerklank (ehho)

echt*

1. authentiek, echt, onvervalst, waar (autentika)
2. echt, eigenlijk, heus, waar, waarachtig (vera)

Ecke*

1. hoek (angulo[1])
2. hoek (angulo[2])

Ecuador*

1. Ecuador (Ekvadoro)

Edam*

1. Edam (Edamo)

edel*

1. edel, nobel (nobla)

Edelknabe*

1. boer, edelknaap, page (paghio)

Edelmann*

1. aristocraat (aristokrato)
2. edelman (nobelo)

Edelmut*

1. edelheid (nobleco)

edelmütig*

1. edel, nobel (nobla)

Edelstein*

1. juweel, kleinood (juvelo)

Edeltanne*

1. spar, fijnspar, sparreboom (piceo)

Eden*

1. Eden (Edeno)
2. lusthof (edeno)

Edikt*

1. edict, verordening (edikto)
2. bevel, bevelschrift, gebod, order, sommatie, verordening (ordono)

Efeu*

1. klimop (hedero)

Effekt*

1. effect, indruk (efekto)

Effekte*

1. effect, fonds, waardepapier (bilo)

effektiv*

1. effectief, werkelijk, daadwerkelijk (efektiva)

egal*

1. eender, egaal, gelijk, gelijkmatig (egala)

Egel*

1. bloedzuiger (hirudo)

Egge*

1. eg (erpilo)

eggen*

1. eggen (erpi)

Egoismus*

1. baatzucht, egoïsme, eigenbaat, zelfzucht (egoismo)

Egoist*

1. egoïst, zelfzuchtige (egoisto)

Egyptenforscher*

1. egyptoloog (egiptologo)

egyptisch*

1. Egyptisch (egipta)

Egyptolog*

1. egyptoloog (egiptologo)

ehe*

1. alvorens, alvorens te, eer, aleer, voor, vooraleer (antau ol)

ehebrechen*

1. adulteren, echtbreken, overspel plegen (adulti)

Ehelosigkeit*

1. celibaat, ongehuwde staat (frauleco)

ehemals*

1. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)

Ehemann*

1. echtgenoot, gemaal, man (edzo)

Ehepaar*

1. echtelieden, echtpaar (geedzoj)

eher*

1. eer, eerder, vroeger (pli frue)

ehern*

1. bronzen (bronza)
2. koperen, roodkoperen (kupra)

ehrbar*

1. edelachtbaar, eerwaardig (honorinda)
2. eerbiedwaardig, respectabel (respektinda)

Ehre*

1. eer, eerbewijs, hulde (honoro)

ehren*

1. eren, huldigen, vereren (honori)

ehrenhaft*

1. eerbiedwaardig, respectabel (respektinda)

ehrerbietig*

1. eerbiedig (respekta)

Ehrfurcht*

1. eerbied, egards, ontzag, respect (respekto)

Ehrgeiz*

1. ambitie, eerzucht (ambicio)
2. eerzucht (honoramo)

ehrgeizig*

1. ambitieus, eerzuchtig (ambicia)

ehrlich*

1. degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net (honesta)

ehrlos*

1. eerloos, oneervol (senhonora)

-ei*

1. -ij, -plaats (-ejo)

Ei*

1. ei (ovo)

Eibe*

1. ijf, taxus (taksuso)

Eibisch*

1. heemst (alteo)

Eiche*

1. eik (kverko)

Eichel*

1. eikel (glano)

Eichelhäher*

1. gaai, Vlaamse gaai (garolo)

Eichhorn*

1. eekhoorn (sciuro)

Eichhörnchen*

1. eekhoorn (sciuro)

Eid*

1. bezwering, eed (jhuro)

Eidam*

1. schoonzoon (bofilo)

Eidbruch*

1. eedbreuk (jhurrompo)

Eidechse*

1. hagedis (lacerto)

Eiderente*

1. eidereend (molanaso)

Eierstock*

1. eierstok (ovujo)

Eifer*

1. ambitie, ijver, vuur (fervoro)

Eifersucht*

1. jaloezie, naijver (jhaluzo)

eifersüchtig*

1. jaloers, naijverig (jhaluza)

eifrig*

1. ambitieus, ijverig, noest, volijverig, vurig (fervora)

Eigelb*

1. dooier, eierdooier, eigeel (ovoflavo)

eigen*

1. eigen (propra)

Eigenart*

1. bezit, eigenschap (propreco)

Eigenheit*

1. bezit, eigenschap (propreco)

eigenmächtig*

1. arbitrair, eigenmachtig, willekeurig (arbitra)

eigens*

1. afzonderlijk, apart, gescheiden, terzijde, vaneen (aparte)
2. snel, speciaal (ekspresa)
3. in het bijzonder, inzonderheid, voornamelijk (precipe)

Eigenschaft*

1. eigenschap (eco)
2. bezit, eigenschap (propreco)

Eigenschaftswort*

1. adjectief, bijvoeglijk naamwoord (adjektivo)

Eigensinn*

1. bevlieging, bui, gril, kuur, nuk, speling (kaprico)

eigensinnig*

1. halsstarrig, hardnekkig, koppig, stijfhoofdig, verbeten, verstokt (obstina)

eigentlich*

1. eigenlijk (propre)

Eigentum*

1. aanhorigheid, eigendom (apartenajho)
2. bezit, bezitting, eigendom, goed, vermogen (posedajho)
3. bezit, bezitting, eigendom (proprajho)

Eigentümer*

1. bezitter, houder (posedanto)

eigentümlich*

1. apart, oorspronkelijk, origineel (originala)

Eigentümlichkeit*

1. bezit, eigenschap (propreco)

Eiland*

1. eiland (insulo)

Eilbote*

1. bode, ijlbode, koerier, loper (kuriero)

Eile*

1. snelheid, tempo, vaartje (rapido)

eilen*

1. hardlopen, hollen, racen, rennen, snellen (kuregi)
2. haast maken, spoed maken, voortmaken, zich haasten, zich spoeden (rapidi)

Eilzug*

1. sneltrein (rapidtrajno)
2. sneltrein (rapidvagonaro)

Eimer*

1. emmer (sitelo)

ein*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)
2. een, één (unu)
3. 'n, een (<nedifina artikolo>)

einander*

1. over en weer (reciproke)
2. elkaar, elkander, mekaar (unu la alian)

ein Anschlag ausführen*

1. aanranden, een aanslag plegen op, zich vergrijpen aan (atenci)

ein Attentat ausführen*

1. aanranden, een aanslag plegen op, zich vergrijpen aan (atenci)

einäugig*

1. eenogig (unuokula)

Einband*

1. band, boekband (bindo)

Einbettzimmer*

1. eenpersoonskamer (unupersona chambro)

Einbildung*

1. begoocheling, drogbeeld, illusie, waan, zinsbedrog (iluzio)

Einbildungskraft*

1. fantasie, verbeeldingskracht (fantazio)

einbinden*

1. binden, inbinden (bindi)

ein bischen*

1. een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat (iom)

Einblick*

1. blik, kijkje (enrigardo)

einbringen*

1. binnenbrengen (enporti)

Einbruch*

1. instorting (enrompigho)
2. inbraak (enrompo)
3. breuk (rompigho)

eindringen*

1. binnendringen, doordringen, doorstoten (penetri)

eindringlich*

1. energiek, fiks, terdege (energie)

Eindringling*

1. indringer (entrudulo)

Eindruck*

1. belichting, effect, impressie, indruk (impreso)

Eindruck machen*

1. indruk maken op (impresi)

Eindruck machen auf*

1. imponeren, indruk maken op (imponi)

eine*

1. een, één (unu)
2. 'n, een (<nedifina artikolo>)

einen Besuch abstatten*

1. afgaan, bezoeken, opzoeken (viziti)

einen Umsatz erzielen*

1. omzetten, verkopen (spezi)

einen Vertrag schließen*

1. aangaan, afsluiten, contracteren (kontrakti)

einer*

1. een of ander, een of andere, enig, iemand (iu)

einernten*

1. oogsten (rikolti)

einerseits*

1. enerzijds, enkelzijdig (unuflanke)

eines Tages*

1. eens, op een keer (foje)

einfach*

1. aalwaardig, aalwarig, eenvoudig, enkelvoudig, simpel (simpla)
2. enkel (unuobla)

Einfachkeit*

1. eenvoud (simpleco)

einfahren*

1. binnenrijden, inrijden (enveturi)

Einfahrt*

1. inrij, inrit (enveturejo)
2. binnenrijden, binnenvaren (enveturo)

Einfall*

1. inval (ekpenso)
2. inval (enfalo)

einfallen*

1. innemen, vermeesteren, zich meester maken van (ekokupi)
2. inkalven (enfali)
3. binnenrukken, binnenvallen (invadi)

einfältig*

1. aalwaardig, aalwarig, eenvoudig, enkelvoudig, simpel (simpla)

einfassen*

1. staan langs, omboorden, zomen, omzomen (borderi)
2. afzetten, beslaan, garneren, stofferen, uitmonsteren (garni)

Einfassung*

1. kader, lijst, omlijsting, raam (kadro)

einflecken*

1. bekladden, bezoedelen, smetten, vlekken, bevlekken (makuli)

einflößen*

1. bezielen, inboezemen, inspireren (inspiri)

Einfluß*

1. invloed, inwerking (influo)

Einfluß haben auf*

1. beïnvloeden, invloed hebben op (influi)

einförmig*

1. eenvormig, gelijkvormig, uniform (unuforma)

einführen*

1. binnenleiden, inleiden, invoeren (enkonduki)
2. binnenbrengen (enporti)
3. aanleggen, fitten, installeren (instali)

Eingang*

1. entree, ingang, toegang (enirejo)
2. binnengaan, entree, intrede, toegang (eniro)

eingeben*

1. bezielen, inboezemen, inspireren (inspiri)

eingeboren*

1. inboorlingen-, inheems, inlands (aborigena)

Eingeborene*

1. autochtoon, oorspronkelijke bewoner (aborigeno)

eingehend*

1. rijpelijk (detale)
2. grondig, ingrijpend, radicaal, vergaand (radikala)
3. diepgaand, grondig (ghisfunda)

eingeschrieben*

1. aangetekend (registrita[2])
2. aangetekend (rekomendita[2])

Eingeständnis*

1. bekentenis, erkenning (konfeso[1])

eingestehen*

1. bekennen, erkennen, toegeven (konfesi[1])

Eingeweide*

1. binnenwerk, ingewand (internajho)
2. ingewanden (intestaro)
3. ingewanden (intestoj)

ein gewisser*

1. een of ander, een of andere, enig, iemand (iu)

einhändigen*

1. aanreiken, overhandigen, ter hand stellen (enmanigi)
2. aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken (transdoni)

einheimisch*

1. binnenlands, inheems, inlands (enlanda)

Einheit*

1. eendracht, eenheid, samenhang (unueco)
2. eenheid (unuo)

einhellig*

1. als één man, eenstemmig, met algemene stemmen, unaniem (unuanime)

Einhorn*

1. eenhoorn (unukornulo)

Einhufer*

1. eenhoevige (unuhufulo)

einhüllen*

1. hullen, inwikkelen, omhullen, toestoppen, woelen (envolvi)
2. beleggen, dekken, bedekken, toedekken (kovri)

einig*

1. eenparig, eensgezind (unuanima)

einige*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)
2. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelkaj)
3. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelke da)

einigen*

1. verenigen (unuigi)

einiger*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)
2. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelkaj)

einigermaßen*

1. op de een of andere manier, op een of andere wijze (iel)

einiges*

1. een of ander, een of andere, enigerlei (ia)
2. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelkaj)

Einigkeit*

1. fiat, goedvinden, toestemming (konsento)
2. eendracht, eenheid, samenhang (unueco)

einimpfen*

1. enten, inenten, oculeren (inokuli)

einkerkern*

1. gevangen zetten, opsluiten (malliberigi)

Einklang*

1. akkoord, overeenkomst, overeenstemming (akordo[1])

einkleiden*

1. beleggen, inhuldigen, investeren (investi)

Einkommen*

1. rente (rento)

Einkünfte*

1. inkomen, inkomsten, recette (enspezoj)

einladen*

1. inviteren, noden, uitnodigen, vragen (inviti)

Einlage*

1. inlassing (enmeto)

Einlaß*

1. toegang (enlaso)

einlegen*

1. inleggen, inmaken, konfijten (konfiti)

Einlegsohle*

1. inlegzool (alplando)

einleiten*

1. binnenleiden, inleiden, invoeren (enkonduki)

einleuchten*

1. beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren (klarigi)

einmachen*

1. inleggen, inmaken, konfijten (konfiti)

einmal*

1. eens, op een keer (foje)
2. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)
3. eenmaal, eens, één keer (unufoje)

Einmarsch*

1. intocht (enmarsho)

einmengen*

1. inmengen (enmiksi)

ein Modell machen*

1. modelleren (modeli)

Einnahme*

1. inkomen, ontvangst, opbrengst, verdienste (enspezo)

einnehmen*

1. bekleden, beslaan, bezetten, bezig houden, in beslag nemen (okupi)

Einöde*

1. wildernis, woestenij, woestijn (dezerto)

ein paar*

1. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelkaj)

einpacken*

1. pakken, inpakken, verpakken (enpaki)
2. emballeren, pakken, inpakken (paki)

einpflanzen*

1. inprenten (enplanti)

Einquartierung*

1. huisvesting, inkwartiering (enloghigo)

einrahmen*

1. inlijsten, in een lijst zetten, vatten (enkadrigi)

einrammen*

1. inslaan (enbati)
2. induwen (enpushi)

Einrede*

1. tegenspraak, tegenwerping (kontraudiro)
2. bezwaar, tegenwerping (kontrauparolo)

einreihen*

1. onderbrengen, rubriceren (enfakigi)
2. inschakelen, opstellen (envicigi)

einreißen*

1. rijten, scheuren (shiri)
2. scheuren, springen, uitscheuren (shirighi)

einrichten*

1. aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen (aranghi)
2. aanleggen, fitten, installeren (instali)
3. regelen, organiseren, uitschrijven (organizi)

Einrichtung*

1. akkoord, inrichting, maatregel, regeling, schikking, zetting (arangho)
2. instelling (institucio)
3. organisatie (organizo)

einrücken*

1. innemen, vermeesteren, zich meester maken van (ekokupi)
2. inschuiven, instoppen (enshovi)
3. koppelen (kupli)

eins*

1. een, één (unu)

einsalzen*

1. inleggen, in het zout leggen, inmaken, pekelen, zouten (pekli)

einsam*

1. eenzaam (soleca)

einsammeln*

1. collecteren, innen, inzamelen, oogsten, plukken, rapen, verzamelen (kolekti)

einsargen*

1. kisten (encherkigi)

Einsatz*

1. inlassing (enmeto)

einsaugen*

1. opslorpen, resorberen, slurpen, opslurpen (sorbi)

einschätzen*

1. begroten, schatten, taxeren, waarderen (taksi)

Einschätzung*

1. raming, schatting, taxatie (takso)

einschenken*

1. ingieten, inschenken (envershi)

einschießlich*

1. incluis, inclusief, inbegrepen, met inbegrip van, tot en met (inkluzive)

einschiffen*

1. inschepen (enshipigi)

einschlafen*

1. inslapen, in slaap vallen, onder zeil gaan (ekdormi)

einschlagen*

1. inslaan (enbati)
2. hullen, inwikkelen, omhullen, toestoppen, woelen (envolvi)

einschließen*

1. bergen, insluiten, opbergen, opsluiten, wegbergen (enfermi)
2. bevatten, houden, inhouden, vervatten (enteni)

einschlürfen*

1. opslorpen, resorberen, slurpen, opslurpen (sorbi)

einschmeichelnd*

1. aanhalig (karesema)

einschmutzen*

1. bevlekken, bevuilen, bezoedelen, verontreinigen, vuilmaken (malpurigi)

Einschnitt*

1. keep, inkeep, inkeping, kartel (entrancho)
2. snede, snee (trancho)

einschränken*

1. begrenzen, beknotten, beperken, beperkingen opleggen aan (limigi)

Einschreibebrief*

1. aangetekende brief (registrita letero)
2. aangetekende brief (rekomendita letero)

einschreiben*

1. boeken, bijboeken, inschrijven, registreren (enskribi)

einschreiten*

1. ingrijpen, interveniëren, tussenbeide komen (interveni)

einschüchtern*

1. bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen (timigi)

einseitig*

1. eenzijdig (unuflanka)

einsenden*

1. doen toekomen, sturen, opsturen, zenden, opzenden, verzenden (sendi)

einsetzen*

1. indoen, inleggen, inzetten (enmeti)
2. aanleggen, fitten, installeren (instali)

Einsetzung*

1. inauguratie (inauguracio)

Einsicht*

1. blik, aanblik, kijk (rigardo)

einsichtsvoll*

1. bevattelijk, intelligent, knap, snugger (inteligenta)

Einsiedler*

1. heremiet, kluizenaar (ermito)

einspritzen*

1. inspuiten (enshprucigi)
2. injecteren, inspuiten (injekti)

Einspruch*

1. bezwaar, protest, tegenwerping (protesto)

Einspruch erheben*

1. bestrijden, betwisten, protest aantekenen, protesteren (protesti)

einst*

1. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)

einsteigen*

1. instappen, in een auto stappen (enautighi)
2. instappen, in de trein stappen (envagonighi)

einstens*

1. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)

einstimmig*

1. eenstemmig (unuvocha)

einstmals*

1. eenmaal, eens, ooit, wel eens (iam)

einstoßen*

1. induwen (enpushi)

einstürzen*

1. uitvallen (elfali)
2. inkalven (enfali)
3. kantelen, kapseizen, omvallen, ten val komen (renversighi)

einstweilen*

1. daarentegen, intussen, inmiddels, vast, voorlopig, zolang (dume)

einstweilig*

1. vooralsnog, vooreerst, voorlopig, voorshands (provizore)

eintauchen*

1. duiken, onderduiken, zinken (subakvighi)
2. indompelen, indopen, soppen (trempi)

einteilen*

1. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen (dividi)

eintönig*

1. eentonig, monotoon, saai (monotona)
2. eentonig, monotoon (unutona)

Eintracht*

1. eendracht, harmonie, samenklank (harmonio)
2. fiat, goedvinden, toestemming (konsento)

eintragen*

1. aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen (alporti)
2. boeken, bijboeken, inschrijven, registreren (enskribi)

eintreten*

1. binnengaan, binnenlopen, ingaan (eniri)

Eintritt*

1. binnengaan, entree, intrede, toegang (eniro)

eintunken*

1. indompelen, indopen, soppen (trempi)

einüben*

1. drillen, oefenen (ekzerci)

einundzwanzig*

1. eenentwintig (dudek unu)

einverleiben*

1. annexeren, inlijven, <iets bijkomstigs toevoegen> (aneksi)

einverstanden*

1. overeenstemmend, toestemmend (konsenta)

Einverständnis*

1. stilzwijgende overeenkomst (interkompreno)
2. afspraak, akkoord, schikking, verbintenis (interkonsento)

Einwand*

1. tegenspraak, tegenwerping (kontraudiro)
2. bezwaar, tegenwerping (kontrauparolo)

Einwanderer*

1. landverhuizer (enmigranto)

Einweihung*

1. inauguratie (inauguracio)

Einwendung*

1. bezwaar, tegenwerping (kontrauparolo)

ein wenig*

1. een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat (iom)

einwickeln*

1. hullen, inwikkelen, omhullen, toestoppen, woelen (envolvi)
2. betrekken, verstrikken, verwarren, verwikkelen (impliki)
3. baken, inbakeren, inzwachtelen, omwikkelen (vindi)

einwilligen*

1. goedvinden, het eens zijn, toegeven, toestemmen (konsenti)

einwirken*

1. effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken (efiki)
2. beïnvloeden, invloed hebben op (influi)

Einwohner*

1. bewoner, ingezetene, inwoner (enloghanto)
2. bewoner (loghanto)

Einwurf*

1. bezwaar, tegenwerping (kontrauparolo)

Einzahl*

1. enkelvoud (ununombro)

einzahlen*

1. betalen, dokken, storten, uitbetalen, uitkeren, voldoen (pagi)

Einzäunung*

1. paalwerk, palissade, schutting, staketsel (palisaro)
2. haag (plektobarilo)

einzeln*

1. afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los (aparta)
2. ampel, gedetailleerd, in het klein, omstandig, uitvoerig (detala)

Einzelwesen*

1. enkeling, individu, sujet (individuo)

einzig*

1. alleen, enig, louter, verlaten (sola)
2. enig, uniek (unika)
3. afzonderlijk, alleen, eenzaam (unuopa)

Einzug*

1. betrekken (eklogho)
2. intocht (enmarsho)

Eis*

1. ijs, consumptie-ijs, ijsje, ijsco (glaciajho)
2. ijs (glacio)

Eisbahn*

1. glijbaan (glitejo)

Eisbär*

1. ijsbeer (blanka urso)

Eisberg*

1. ijsberg (glacimonto)

Eisbrecher*

1. ijsbreker (glacirompilo)

Eisen*

1. ijzer (fero)

Eisenbahn*

1. spoor, spoorweg (fervojo)

Eisenbahnzug*

1. trein, spoortrein (vagonaro)

eisenhaltig*

1. ijzerhoudend (ferhava)

Eisen-Kies*

1. pyriet (pirito)

Eisenkraut*

1. ijzerhard, verbena (verbeno)

Eisgang*

1. ijsgang (glacirompigho)

eisig*

1. ijs-, ijskoud, ijzig (glacia)

eiskalt*

1. ijskoud, ijzig, steenkoud (malvarmega)

Eiskeller*

1. ijskast (glacitenejo)

Eisvogel*

1. ijsvogel (alciono)

Eiszapfen*

1. ijspegel (pendoglaciajho)

eitel*

1. ijdel, nietig, onbelangrijk (vanta)

Eitelkeit*

1. ijdelheid, nietigheid (vanteco)

Eiter*

1. etter, pus (puso)

Eiterbeule*

1. abces, etterbuil, ettergezwel (absceso)

eiterig*

1. etterachtig (pusa)

eitern*

1. tot een abces worden (abscesi)
2. etteren, zweren (pusi)

Eiweiß*

1. albumen, eiwit, kiemwit (albumeno)
2. albumine, eiwit, eiwitstof (albumino)
3. eiwit (ovoblankajho)
4. eiwit (ovoblanko)

Eiweißharnen*

1. albuminurie (albuminurio)

Ekel*

1. afkeer, misselijkheid, walg, walging, weeheid, weerzin (nauzo)

Ekel erregen*

1. afkeer inboezemen, tegen de borst stuiten, tegenstaan (nauzi)

ekeln*

1. afkeer inboezemen, tegen de borst stuiten, tegenstaan (nauzi)

Ekliptik*

1. ecliptica, zonnebaan, zonneweg (ekliptiko)

Ekloge*

1. herderszang (eklogo)

Ekstase*

1. extase, vervoering, geestvervoering, zielsvervoering (ekstazo)

Ekzem*

1. eczeem, huiduitslag (ekzemo)

elastisch*

1. elastisch, rekbaar, soepel, veerkrachtig (elasta)

Elastizität*

1. elasticiteit, rek, rekbaarheid, veerkracht (elasteco)

Elbe*

1. Elbe (Elbo[1])

Elch*

1. eland (alko)

Elefant*

1. olifant (elefanto)

elegant*

1. bevallig, elegant, net, piekfijn, zwierig (eleganta)

Elegie*

1. elegie, klaaglied, klaagzang, treurdicht (elegio)

Elektrizität*

1. elektriciteit (elektreco)
2. elektriciteit (elektro)

Elektromotor*

1. elektromotor (elektromotoro)

Elektrotechnik*

1. elektrotechniek (elektrotekniko)

Elektrotherapie*

1. elektrotherapie (elektroterapio)

Element*

1. beginsel, bestanddeel, element (elemento)

elementar*

1. elementair (elementa)

Elen*

1. eland (alko)

elend*

1. belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig (mizera)

Elentier*

1. eland (alko)

Elevator*

1. elevator, goederenlift (elevatoro)

elf*

1. elf (dek unu)

Elfenbein*

1. ivoor (eburo)

eliminieren*

1. afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken (elimini)

Elixier*

1. elixer (eliksiro)

Ellbogen*

1. elleboog (kubuto)

Elle*

1. el, ellepijp (ulno)

Ellipse*

1. ellips (elipso)

eloquent*

1. welsprekend (elokventa)

Elsaß*

1. Elzas (Alzaco)

Elsässer*

1. Elzasser (alsacano)

elsässisch*

1. Elzassisch (alsaca)

Elsaß-Lothringen*

1. Elzas-Lotharingen (Alsaco-Loreno)

Elster*

1. ekster (pigo)

Eltern*

1. ouderpaar, ouders (gepatroj)

Elysium*

1. Elyzeese Velden (Elizeo)
2. paradijs (elizeo)

Emaille*

1. brandverf, email, glazuur (emajlo)

emanzipieren*

1. emanciperen, mondig verklaren, ontvoogden (emancipi)

Emblem*

1. embleem, kleur, zinnebeeld (emblemo)

Embryo*

1. embryo, kiem (embrio)

Embryologie*

1. embryologie (embriologio)

Emeritus*

1. emeritus, pensioentrekker (emerito)

Emigrant*

1. emigrant, landverhuizer (elmigranto)

Eminenz*

1. eminentie (eminenco)
2. eerwaarde, hoogheid, majesteit (moshto)

Emir*

1. emir (emiro)

Emmerich*

1. Emmerik (Emerihho)

Empfang*

1. ontvangst (ricevo)

empfangen*

1. aannemen, aanvaarden, accepteren, erkennen, ontvangen (akcepti)
2. genieten, krijgen, ontvangen, toucheren (ricevi)

Empfänger*

1. geadresseerde (adresato)
2. geadresseerde (adresito)
3. geadresseerde (adresoto)
4. ontvanger (ricevanto)

empfänglich*

1. gevoelig, ontvankelijk, receptief (impresebla)

Empfängnis*

1. ontvangenis (gravedigho)

Empfangsschein*

1. kwitantie, ontvangstbewijs (kvitanco)

Empfehlung*

1. aanbeveling, recommandatie (rekomendo)

empfehlungswert*

1. aanbevelenswaard, aanbevelenswaardig (rekomendinda)

empfinden*

1. gewaarworden, voelen, aanvoelen, gevoelen (senti)

empfindlich*

1. gevoelig, teergevoelig (sentema)

empfindsam*

1. gevoelig, teergevoelig (sentema)

Empfindung*

1. aandoening, gewaarwording (eksento)
2. klapstuk, sensatie (sensacio)
3. gevoel, gewaarwording (sentado)

Empfindungswort*

1. tussenwerpsel (interjekcio)

Emphase*

1. klem, nadruk (emfazo)

Empirie*

1. empirie, ondervinding (empirio)

Empiriker*

1. empiricus (empiristo)

Empirismus*

1. empirisme (empirismo)

empor*

1. naar boven, omhoog, op, opwaarts (supren)

Emporkömmling*

1. parvenu (elsaltulo)

Ems*

1. Eems (Emso)

emsig*

1. ijverig, naarstig, nijver, vlijtig (diligenta)

Emulsion*

1. emulsie (emulsio)

Encyklopädie*

1. encyclopedie (enciklopedio)

Ende*

1. afloop, besluit, eind, einde, slot, uiteinde, voleinding (fino)

Endemie*

1. endemie, inheemse ziekte (endemio)

enden*

1. afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen (fini)
2. aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen (finighi)

endgültig*

1. definitief, onherroepelijk, vast (definitiva)

endigen*

1. afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen (fini)
2. aflopen, eindigen, ophouden, uitgaan, uitlopen, uitraken, verlopen (finighi)

Endivie*

1. andijvie (endivio)

endlich*

1. eindelijk, per saldo, ten slotte (fine)
2. eindelijk (finfine)

endlos*

1. altijddurend, eindeloos, oneindig (senfina)

Endung*

1. afloop, eindigen, slot (finigho)

Endzweck*

1. einddoel (fina celo)

Energie*

1. arbeidsvermogen, energie, fut, spirit, veerkracht, wilskracht (energio)

Enge*

1. engheid, nauwheid (malvasteco)
2. engte, nauwe ruimte (malvastejo)

Engel*

1. engel (anghelo)

Engelwurz*

1. engelwortel (angeliko)

England*

1. Engeland (Anglio)
2. Engeland (Anglujo)

Engländer*

1. Engelsman (anglo)

Engländerin*

1. Engelse (anglino)

englandfreundlich*

1. Engelsgezind (anglamika)

englisch*

1. Engels (angla)

englische Sprache*

1. Engels, Engelse taal (angla lingvo)

engros*

1. in het groot (pogrande)

Enkel*

1. kleinzoon (nepo)

Enkelin*

1. kleindochter (nepino)

Enquete*

1. enquête (enketo)

entarten*

1. degenereren, ontaarden, verbasteren, verworden, zinken (degeneri)

entauchen*

1. onderduwen, onder water zetten, tot zinken brengen (subakvigi)

entäußern*

1. in de steek laten, laten varen, verlaten (forlasi)

entbieten*

1. betrekken, halen, laten komen, ontbieden (venigi)

entbinden*

1. bevallen, ter wereld brengen (akushi)
2. afbinden, losbinden, losmaken (malligi)

entblößen*

1. ontbloten (nudigi)

entbrennen*

1. aanflitsen, aanfloepen, aangaan, ontbranden (ekbruli)

entdecken*

1. komen achter, uitvinden (eltrovi)
2. ontdekken (malkovri)

Ente*

1. eend (anaso)

entehren*

1. de eer aantasten van, onteren, verguizen (senhonorigi)

enteilen*

1. heensnellen, zich wegspoeden (forrapidi)

enterben*

1. onterven (senheredigi)

entern*

1. overgaan, overlopen, oversteken (transiri)

entfallen*

1. afvallen, afvallig worden, uitvallen (defali)

entfalten*

1. ontvouwen, opzetten, uitspreiden, uitvouwen (malfaldi)

entfärben*

1. ontkleuren (senkolorigi)
2. vaal worden, verkleuren, verschieten (senkolorighi)

entfernen*

1. afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen (forigi)

entfernt*

1. ver, verwijderd, ververwijderd (fora)
2. afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd (malproksima)

Entfernung*

1. afstand, eind (distanco)
2. afstand, distantie (malproksimeco)

entfesseln*

1. ontketenen (senkatenigi)

entflammen*

1. ontvlammen, oplaaien, opvlammen, vlam vatten (ekflami)

entfliehen*

1. drossen, weglopen, wegrennen, zich uit de voeten maken (forkuri)
2. heensnellen, zich wegspoeden (forrapidi)

entfremden*

1. vervreemden (fremdighi)

entgegen*

1. mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden (eviti)

entgegengesetzt*

1. daarentegen, ertegenover, integendeel (kontraue)
2. integendeel (male)

entgegnen*

1. herhalen, nazeggen (rediri)
2. antwoorden, antwoorden op, beantwoorden, verantwoorden (respondi)

Entgelt*

1. compensatie, vergoeding, schadevergoeding, tegenprestatie (kompenso)

entgleisen*

1. derailleren, ontsporen (elrelighi)

entgleiten*

1. onderuitgaan (degliti)

enthalten*

1. afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden (deteni)
2. behelzen, bevatten, inhouden (enhavi)
3. bevatten, houden, inhouden, vervatten (enteni)

enthaltsam*

1. matig, onthoudend (abstemia)

Enthaltung*

1. onthouding, terughoudendheid (sindeteno)

enthaupten*

1. het hoofd afslaan, onthoofden (senkapigi)

entheiligen*

1. ontheiligen, ontwijden, profaneren, schenden, verontheiligen (profani)

enthüllen*

1. ontdekken (malkovri)

Enthusiasmus*

1. enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid (entuziasmo)

entkleiden*

1. ontkleden, uitkleden (senvestigi)

entkräften*

1. ontkrachten (senfortigi)

entladen*

1. afschieten, ontladen (malshargi)
2. ontlasten (sensharghigi)

entlang*

1. langs (laulonge de)

entlassen*

1. ontslaan, ontzetten, royeren (eksigi)
2. afdanken, afmonsteren, ontslaan (maldungi)

entlasten*

1. ontlasten (sensharghigi)

entlaufen*

1. drossen, weglopen, wegrennen, zich uit de voeten maken (forkuri)

entledigen*

1. afhelpen, bevrijden, loslaten, verlossen, vrijlaten, vrijmaken (liberigi)

entleeren*

1. ledigen, legen, lenzen, lichten, ruimen, uithalen (malplenigi)

entlegen*

1. afgelegen, ver, veraf, verafgelegen, verwijderd, ververwijderd (malproksima)

entlehnen*

1. lenen (pruntepreni)
2. lenen (prunti)

entlocken*

1. ontfutselen (ellogi)
2. ontlokken, tappen, trekken, te voorschijn trekken, uithalen (eltiri)

entmannen*

1. castreren, ontmannen, snijden (kastri)

Entmanntner*

1. eunuch (eunuko)

entmutigen*

1. de moed ontnemen, ontmoedigen (senkuraghigi)

entnehmen*

1. uitlichten, uitnemen, wegnemen (elpreni)

Entomologie*

1. entomologie, insektenkunde (entomologio)

entraten*

1. afraden, ontraadselen (malkonsili)

enträtseln*

1. doorzien, gissen, raden (diveni)

entreißen*

1. uitrukken, uitscheuren, uittrekken (elshiri)

entrichten*

1. betalen, dokken, storten, uitbetalen, uitkeren, voldoen (pagi)

entrüsten*

1. ergeren, verontwaardigen (indignigi)

entrüstet sein*

1. verontwaardigd zijn, zich ergeren, zich verontwaardigen (indigni)

entsagen*

1. afstand doen van, opgeven, uitvallen (rezigni)

Entsagung*

1. abnegatie, versterving, zelfverloochening (abnegacio)
2. afstand (rezigno)

Entsatz*

1. bevrijding, ontheffing, verlossing, vrijlating (liberigo)

entschädigen*

1. compenseren, goedmaken, vergoeden (kompensi)

entscheiden*

1. beslissen, besluiten, uitmaken, zich voornemen (decidi)

entscheidend*

1. afdoend, beslissend, stringent, van overwegend belang (decidiga)

entschieden*

1. beslissend, cruciaal, finaal, overtuigend (decida)
2. uitgemaakt, voldongen (decidita)

entschleiern*

1. ontsluieren (senvualigi)

entschlüpfen*

1. ontglippen, uitschieten, wegglippen (forgliti)

Entschluß*

1. beslissing, besluit, uitspraak, wijzing (decido)

entschuldigen*

1. verontschuldigen (ekskuzi)
2. begenadigen, vergeven (pardoni)
3. excuseren, verontschuldigen, verschonen (senkulpigi)

entschwinden*

1. 'm smeren, verdwijnen, wijken (malaperi)

entseelt*

1. zielloos (senanima)
2. dood, levenloos, onbezield, zielloos (senviva)

entsenden*

1. afzenden, uitsturen, versturen, verzenden, wegsturen, wegzenden (forsendi)

entsetzen*

1. doen schrikken, schrik aanjagen, verschrikken (teruri)

Entsetzen verbreiten*

1. doen schrikken, schrik aanjagen, verschrikken (teruri)

entsetzlich*

1. ijselijk, schrikaanjagend, verschrikkelijk, vervaarlijk, vreselijk (terura)

entsinken*

1. te gronde gaan, wegvallen (forfali)

entsittlichen*

1. demoraliseren, zedeloos maken (senmoraligi)

entsprechen*

1. evenaren, gelijk zijn aan (egali)
2. corresponderen (korespondi)

entsprechend*

1. adequaat, bijbehorend (adekvata)
2. adequaat, overeenstemmend, passend, bijpassend (konforma)

entspringen*

1. afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen (deveni)
2. wegspringen (forsalti)

entstehen*

1. afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen (deveni)
2. ontstaan, opkomen, worden (estighi)
3. geboren worden, ontluiken, spruiten (naskighi)

enttäuschen*

1. teleurstellen (seniluziigi)

entthronen*

1. afzetten, onttronen, van de troon stoten (detronigi)

entvölkern*

1. ontvolken (senhomigi)

entwaffnen*

1. ontwapenen (senarmigi)

entwässern*

1. aftappen, afwateren, draineren, droogleggen (dreni)
2. afgieten, droogleggen (senakvigi)

entweder ... oder*

1. of ... of (au ... au)

entweichen*

1. mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden (eviti)

entweihen*

1. te schande maken, schandvlekken (malhonori)
2. ontheiligen, ontwijden, profaneren, schenden, verontheiligen (profani)

entwenden*

1. afdraaien, afkeren, pareren (deturni)
2. gappen, ontvreemden, stelen (shteli)

entwerfen*

1. beramen, ontwerpen, plannen (projekti)
2. ontwerpen, schetsen, uitstippelen (skizi)

entwickeln*

1. ontplooien, ontwarren, ontwikkelen (disvolvi)

Entwickelung*

1. evolutie (evolucio)

entwirren*

1. ontwarren (malkonfuzi)
2. uit elkaar halen (malmiksi)

entwöhnen*

1. afleren, afwennen (dekutimigi)

Entwurf*

1. ontwerp, opzet, plan, plattegrond (plano)
2. blauwdruk, concept, ontwerp, plan, project (projekto)
3. aanleg, krabbel, ontwerp, schets (skizo)

entwurzeln*

1. ontwortelen (elradikigi)

Entzetzen*

1. ontzetting, schrik, schrikkelijkheid (teruro)

entziehen*

1. ontlokken, tappen, trekken, te voorschijn trekken, uithalen (eltiri)
2. afnemen, afpakken, weghalen, wegnemen (forpreni)

entziffern*

1. ontcijferen, ontraadselen (dechifri)

entzücken*

1. in verrukking brengen, verrukken (ravi)

entzückend*

1. beeldig, betoverend, heerlijk, verrukkelijk (rava)

Entzückung*

1. extase, vervoering, geestvervoering, zielsvervoering (ekstazo)

entzündbar*

1. heethoofdig, ontvlambaar, licht ontvlambaar (flamighema)

entzünden*

1. aanmaken, aansteken, doen ontbranden, ontsteken, stoken (ekbruligi)
2. ontsteken (ekflamigi)

Entzündung*

1. ontsteking (brulumo)

entzweien*

1. scheiden (disigi)

Enzian*

1. gentiaan (genciano)

Epaulette*

1. epaulet, schouderbedekking (epoleto)

ephemär*

1. kortstondig, vergankelijk, voorbijgaand (efemera)

Epidemie*

1. epidemie (epidemio)

Epidermis*

1. opperhuid (epidermo)

Epigone*

1. afstammeling, nakomeling, nazaat (posteulo)

Epigramm*

1. epigram, puntdicht (epigramo)

Epigraph*

1. inschrift, inscriptie, opschrift (epigrafo)

Epik*

1. epos, heldendicht (epopeo)
2. verhalende poëzie (eposo)

Epikuräismus*

1. epicurisme (epikurismo)

Epikurismus*

1. epicurisme (epikurismo)

Epilepsie*

1. epilepsie, toevallen, vallende ziekte (epilepsio)

Epilog*

1. epiloog, narede (epilogo)

Episkopat*

1. episcopaat (episkopeco)

Episode*

1. aflevering, episode (epizodo)

Epistel*

1. brief, epistel, zendbrief (epistolo)

Epitaph*

1. grafschrift (epitafo)

Epitheton*

1. epitheton, toevoegsel (epiteto)

Epitome*

1. uittreksel (epitomo)

Epizootie*

1. epidemische veeziekte (epizootio)

Epoche*

1. tijdperk, tijdsgewricht (epoko)

Epopöe*

1. epos, heldendicht (epopeo)

Epos*

1. verhalende poëzie (eposo)

Eppich*

1. apium, wilde selderie (apio)

equipieren*

1. toerusten, uitrusten, uitvoeren (ekipi)

er*

1. 'ie, 'm, hem, hij (li)

erachten*

1. calculeren, rekenen, berekenen, tellen, uitrekenen (kalkuli)
2. achten, geloven, van mening zijn, vinden (opinii)
3. vinden, bevinden, treffen, aantreffen (trovi)

erbärmlich*

1. beklagenswaardig, erbarmelijk, zielig (kompatinda)
2. belabberd, ellendig, miserabel, schamel, schunnig, stumperig (mizera)

erbauen*

1. stichten (edifi)
2. aanleggen, bouwen, construeren (konstrui)

Erbauung*

1. bouw, constructie, gebouw, opbouw (konstruo)

Erbe*

1. beërving, erfenis (heredo)

erbeben*

1. beginnen te trillen (ektremi)

erben*

1. beërven, erven (heredi)

erbeuten*

1. buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven (akiri)
2. beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten (kapti)

erbittern*

1. kwaad maken, op stang jagen, vertoornen (kolerigi)

erblassen*

1. bleek worden, tanen, verbleken, verschieten (palighi)

erblicken*

1. bespeuren, in de smiezen krijgen, in het oog krijgen, ontwaren (ekvidi)

erblinden*

1. blind worden (blindighi)

erbötig*

1. af, afgelopen, gereed, klaar (preta)

Erbschaft*

1. boedel, erfdeel, erfenis, erfstuk, versterf, versterving (heredajho)

Erbse*

1. erwt (pizo)

Erdapfel*

1. aardappel, pieper (terpomo)

Erdball*

1. aardbol, globe, wereldbol (terglobo)

Erdbeben*

1. aardbeving (tertremo)

Erdbeerbaum*

1. aardbeiboomvrucht, haagappel (arbuto)

Erdbeere*

1. aardbei (frago)

Erdbeschreibung*

1. aardrijkskunde, geografie (geografio)

Erdboden*

1. aarde, aardrijk, bodem, grond, land (tero)

Erde*

1. aarde, aardrijk, bodem, grond, land (tero)

erdenken*

1. bedenken, bekokstoven, uitdenken, uitkienen, verzinnen (elpensi)

Erdferne*

1. apogeum, hoogtepunt, summum, toppunt (apogeo)

Erdgeschoß*

1. benedenverdieping, parterre (teretagho)

erdichten*

1. bedenken, zich verbeelden, zich voorstellen (imagi)

Erdkugel*

1. aardbol, globe, wereldbol (terglobo)

Erdkunde*

1. aardrijkskunde, geografie (geografio)

Erdpech*

1. asfalt (asfalto)
2. aardhars, aardpek, bitumen (bitumo)

erdrosseln*

1. neerslaan, onderdrukken, smoren, verkroppen, verstikken (sufoki)

Erdschicht*

1. aardlaag, grondlaag (tertavolo)

Erdschwamm*

1. paddestoel, zwam (fungo)

Erdteil*

1. continent, vasteland, werelddeel (kontinento)
2. werelddeel (terparto)

erdulden*

1. doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen (suferi)

Ereignis*

1. gebeurtenis (okazantajho)
2. gebeuren, gebeurtenis, incident, voorval (okazajho)
3. gebeurde, gebeurtenis, voorgevallene (okazintajho)
4. gebeurtenis, gelegenheid, geval (okazo)
5. gebeurtenis (okazontajho)

Eremit*

1. heremiet, kluizenaar (ermito)

erfahren*

1. horen, vernemen (sciighi)
2. deskundig, ervaren, geoefend, zaakkundig (sperta)

Erfahrung*

1. belevenis, ervaring, ondervinding (sperto)

erfassen*

1. begrijpen, beseffen, bevatten, snappen, vatten, verstaan (kompreni)

erfinden*

1. bedenken, bekokstoven, uitdenken, uitkienen, verzinnen (elpensi)
2. komen achter, uitvinden (eltrovi)

Erfolg*

1. bevinding, effect, resultaat, uitslag (rezultato)
2. afloop, gevolg, resultaat, uitkomst, uitvloeisel, voortvloeisel (rezulto)
3. succes, welslagen (sukceso)

Erfolg haben*

1. doorkomen, klaarspelen, slagen, slagen voor (sukcesi)

erforderlich*

1. nodig, benodigd, noodzakelijk (necesa)

erfordern*

1. eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen (postuli)

erforschen*

1. exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen (esplori)

erfreuen*

1. verblijden, verheugen (ghojigi)

erfrieren*

1. bevriezen (frostighi)

erfrischen*

1. laven, opfrissen, opknappen, verfrissen, verversen (refreshigi)

erfüllen*

1. dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken (plenigi)
2. nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken (plenumi)

Ergänzung*

1. bepaling, complement (komplemento)

ergeben*

1. aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen (sindona)
2. aanhankelijk, opofferingsgezind (sindonema)

Ergebnis*

1. bevinding, effect, resultaat, uitslag (rezultato)
2. afloop, gevolg, resultaat, uitkomst, uitvloeisel, voortvloeisel (rezulto)

ergiebig*

1. vruchtbaar (fruktodona)
2. batig, voordelig (profita)

ergötzen*

1. amuseren, onderhouden, opvrolijken, vermaken (amuzi)

ergrauen*

1. grijs worden, grijzen, vergrijzen (grizighi)

ergreifen*

1. bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen (ekkapti)
2. beetpakken, grijpen (ekpreni)
3. uitlichten, uitnemen, wegnemen (elpreni)
4. beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten (kapti)
5. aandoen, aangrijpen, b

ergreifend*

1. aangrijpend, emotioneel, roerend, ontroerend (emocia)
2. zielroerend (kortushanta)

ergrimmen*

1. in toorn ontsteken (ekkoleri)

erhaben*

1. hoog, verheven (alta)
2. majestueus, statig, plechtstatig, verheven (majesta)
3. edel, nobel (nobla)

erhalten*

1. behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden (konservi)
2. genieten, krijgen, ontvangen, toucheren (ricevi)

erhängen*

1. hangen, ophangen, opknopen (pendigi)

erhärten*

1. aantonen, adstrueren, bewijzen, staven, uitwijzen, waarmaken (pruvi)

erheben*

1. stichten (edifi)
2. verheerlijken (laudegi)
3. beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen (levi)

erheblich*

1. belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig (grava)

erheischen*

1. eisen, opeisen, rekenen, vereisen, vergen, voorschrijven, vorderen (postuli)

erhellen*

1. verlichten (heligi)
2. ophelderen, opklaren, oplichten (helighi)

erheucheln*

1. doen alsof, fingeren, simuleren, veinzen, voorgeven, voorwenden (shajnigi)

erhitzen*

1. verhitten, warmen, verwarmen (varmigi)

erhöhen*

1. opdrijven, ophogen, verheffen, verhogen (plialtigi)

Erholung*

1. afleiding, ontspanning, verzet (distro)

erinnern*

1. herinneren (memorigi)

Erinnerung*

1. aandenken, gedachtenis, geheugen, herinnering, heugenis (memoro)

Erkältung*

1. verkoudheid (malvarmumo)
2. druipneus, neusverkoudheid (nazkataro)

erkaufen*

1. omkopen (subacheti)

erkennbar*

1. herkenbaar (rekonebla)

erkennen*

1. leren kennen (ekkoni)

erkenntlich*

1. dankbaar (dankema)

Erkenntnis*

1. kennismaking (ekkono)

Erkennung*

1. erkenning, herkenning (rekono)

erklären*

1. beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren (klarigi)

Erklärung*

1. bijbeluitleg, exegese, tekstverklaring, uitlegging (ekzegezo)

erkranken*

1. ziek worden (malsanighi)

erlangen*

1. buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven (akiri)
2. bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen (atingi)

Erlaß*

1. edict, verordening (edikto)

erläßlich*

1. vergeeflijk (pardonebla)

erlauben*

1. gedogen, toelaten, toestaan, vergunnen, veroorloven (permesi)

Erlaubnis*

1. licentie, vergunning (licenco)
2. permissie, toestemming, vergunning, verlof (permeso)

Erlaucht*

1. eerwaarde, hoogheid, majesteit (moshto)

erläutern*

1. beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren (klarigi)

Erläuterung*

1. rekenschap, uitduiding, verklaring (klarigo)
2. aantekening, commentaar, tekstverklaring (komentario)

Erle*

1. els, elzeboom (alno)

erleben*

1. beleven, doormaken, ervaren, ondervinden (sperti)

Erlebnis*

1. belevenis, lotgeval, wedervaren, wederwaardigheid (travivajho)

erledigen*

1. afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen (fini)
2. afhelpen, bevrijden, loslaten, verlossen, vrijlaten, vrijmaken (liberigi)

erleichtern*

1. verlichten, vergemakkelijken (faciligi)
2. verlichten (malpezigi)

erleiden*

1. doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen (suferi)

erlernen*

1. meester worden, onder de knie krijgen (ellerni)

erlogen*

1. leugenachtig, onwaarachtig, vals (mensoga)

Erlös*

1. inkomen, ontvangst, opbrengst, verdienste (enspezo)

erlöschen*

1. doven, uitgaan, uitdoven, uitsterven (estingighi)

erlösen*

1. behouden, bergen, redden (savi)

ermächtigen*

1. autoriseren, machtigen, volmachtigen (rajtigi)

Ermahnung*

1. aanmaning, aansporing, vermaan, vermaning, waarschuwing (admono)

ermangeln*

1. absent zijn, afwezig zijn, schelen (manki)

ermannen*

1. aanmoedigen, bemoedigen, stijven (kuraghigi)

ermäßigen*

1. matigen, opvangen, temperen (moderigi)
2. afnemen, verminderen (plimalgrandighi)

ermatten*

1. vermoeid raken (lacighi)

ermitteln*

1. vinden, bevinden, treffen, aantreffen (trovi)

ermöglichen*

1. in staat stellen, mogelijk maken (ebligi)

ermorden*

1. doden, doodmaken, ombrengen (mortigi)

ermüden*

1. vermoeien (lacigi)
2. vermoeid raken (lacighi)

ermuntern*

1. animeren, opkikkeren, opmonteren, verlevendigen (vigligi)

ermutigen*

1. aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op (eksciti)
2. aanmoedigen, bemoedigen, stijven (kuraghigi)

ernähren*

1. voeden (nutri)

Ernährung*

1. voeding (nutrado)
2. kost, voeder, voeding, voedingsmiddel, voedsel, voer (nutrajho)
3. kost, voedsel (nutro)

ernennen*

1. heten, noemen, benoemen, uitmaken voor (nomi)

erneuern*

1. renoveren, vernieuwen (renovigi)

erniedrigen*

1. kleinmaken, vernederen, verootmoedigen (humiligi)
2. afdraaien, verlagen (malaltigi)

ernst*

1. belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig (grava)
2. bona fide, ernstig, serieus, stemmig (serioza)

ernsthaft*

1. bona fide, ernstig, serieus, stemmig (serioza)

Ernte*

1. oogst, opbrengst (rikolto)

erobern*

1. veroveren (almiliti)

Eröffnung*

1. inauguratie (inauguracio)
2. opening (malfermo)

erörtern*

1. bespreken, discuteren, van gedachten wisselen (diskuti)

Erörterung*

1. debat (debato)

Erotik*

1. erotiek (erotiko)

erotisch*

1. erotisch, zwoel (erotika)

erpressen*

1. onderdrukken, opkroppen, verdringen, verdrukken, verkroppen (subpremi)

Erpressung*

1. afpersing (elpremo)

erproben*

1. bezoeken, op de proef stellen, toetsen (elprovi)
2. beproeven, passen, aanpassen, proberen, toetsen, uitproberen (provi)

erquicken*

1. laven, opfrissen, opknappen, verfrissen, verversen (refreshigi)

erraten*

1. doorzien, gissen, raden (diveni)

erregen*

1. aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op (eksciti)
2. aandoen, aangrijpen, bewegen, ontroeren, treffen (kortushi)
3. bewegen, verroeren (movi)

Erregung*

1. opwinding (ekscito)

erreichen*

1. bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen (atingi)

erretten*

1. behouden, bergen, redden (savi)

erringen*

1. buit maken, behalen, verkrijgen, verwerven (akiri)
2. behalen, verdienen, winnen (gajni)

erröten*

1. blozen, kleuren, rood worden (rughighi)

Errungenschaft*

1. aanwinst, acquest, buit, prooi (akirajho)
2. aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving (akiro)

Ersatz*

1. equivalent (ekvivalento)
2. compensatie, vergoeding, schadevergoeding, tegenprestatie (kompenso)

ersaufen*

1. verdrinken, vergaan, verloren gaan (droni)

erschaffen*

1. creëren, maken, scheppen (krei)

erschallen*

1. knallen (eksoni)

erschaudern*

1. beginnen te trillen (ektremi)

erscheinen*

1. opdagen, opdraven, te voorschijn komen, uitkomen, verschijnen (aperi)

Erscheinung*

1. verschijning, verschijnsel (aperajho)
2. verschijnen, verschijning (apero)
3. droombeeld, gezicht, droomgezicht, visioen (vizio)

erschießen*

1. doodschieten, fusilleren (mortpafi)

erschlaffen*

1. fnuiken, verzwakken (malfortigi)
2. luwen, verflauwen, verzwakken (malfortighi)

erschlagen*

1. slachten, afslachten (buchi)
2. uitslaan (elbati)

Erschöpfung*

1. uitputting (elcherpigho)

erschrecken*

1. schrikken, opschrikken (ektimi)
2. doen schrikken, opschrikken, schrik aanjagen (ektimigi)
3. schrikken (terurighi)

erschüttern*

1. schokken (ekskui)
2. aangrijpen, bewegen, ontroeren (emocii)
3. schokken, schudden, opschudden, wrikken (skui)

erschweren*

1. bemoeilijken (malfaciligi)

ersehnen*

1. haken naar, hunkeren, smachten, smachten naar, snakken naar (deziregi)

ersetzen*

1. aflossen, de plaats innemen van, inspringen, vervangen (anstataui)
2. compenseren, goedmaken, vergoeden (kompensi)

ersichtlich*

1. apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken (evidenta)
2. zichtbaar, zienlijk (videbla)

ersonnen*

1. fictief, gefingeerd, verdicht (fiktiva)

ersparen*

1. bezuinigen, sparen, besparen, uitsparen, uitwinnen, uitzuinigen (shpari)

Ersparnis*

1. spaargeld (shparajhoj)
2. spaargeld (shparmono)

ersprießlich*

1. batig, voordelig (profita)

erst*

1. alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend (nur)
2. eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst (unue)

erstaunen*

1. paf staan, versteld staan (miregi)
2. zich verbazen, zich verwonderen (miri)

erste*

1. eerste (unua)

erstechen*

1. doodsteken, overhoop steken (mortpiki)

Erste Hilfe*

1. eerste hulp, EHBO (sukuro)
2. eerste hulp, EHBO (unua helpo)

ersteigen*

1. klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen (supreniri)
2. opkruipen (suprenrampi)

erstens*

1. eerst, allereerst, ten eerste, vooreerst (unue)

erster*

1. eerste (unua)

erstes*

1. eerste (unua)

ersticken*

1. neerslaan, onderdrukken, smoren, verkroppen, verstikken (sufoki)
2. smoren, stikken (sufokighi)

erstickend*

1. benauwd, broeierig, drukkend, verstikkend, zwoel (sufoka)

Erstling*

1. eersteling, eerstgeborene (unuenaskito)

erstreben*

1. ambiëren, dingen naar, najagen, nastreven, streven naar (aspiri)

erstrecken*

1. ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken (etendi)

ersuchen*

1. inroepen, verzoeken, vragen, aanvragen (peti)

ertappen*

1. beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten (kapti)

erteilen*

1. geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen (doni)

Ertrag*

1. inkomen, ontvangst, opbrengst, verdienste (enspezo)
2. baat, belang, gewin, profijt, voordeel, winst (profito)

ertragen*

1. doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen (elteni)
2. doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen (suferi)

ertränken*

1. doen verdwijnen, onderdompelen, verdrinken, verzuipen (dronigi)

ertrinken*

1. verdrinken, vergaan, verloren gaan (droni)

erübrigen*

1. bezuinigen, sparen, besparen, uitsparen, uitwinnen, uitzuinigen (shpari)

Eruption*

1. uitbarsting, uitslag (erupcio)

erwachen*

1. ontwaken, wakker worden (vekighi)

erwachsen*

1. groot, volgroeid, volwassen (plenkreska)

erwägen*

1. beschouwen, nagaan, overwegen, rekening houden met (konsideri)
2. mediteren, nadenken, peinzen, zinnen (mediti)
3. bedenken, nadenken, overdenken, wikken, zinnen, zinnen op (pripensi)

Erwägung*

1. beraad, overweging (konsidero)

erwählen*

1. kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken (elekti)

erwähnen*

1. aanhalen, citeren, noemen (citi)
2. opgeven, zeggen (diri)

Erwähnung*

1. gewag, predicaat, vermelding (mencio)

erwärmen*

1. verhitten, warmen, verwarmen (varmigi)

erwarten*

1. afhalen, wachten, te wachten staan, verbeiden, verwachten (atendi)

erwecken*

1. wakker maken, wekken, opwekken (veki)

erweichen*

1. murw maken, vertederen, weekmaken, zacht maken (moligi)

Erwerb*

1. aanwinst, acquisitie, buit, prooi, verkrijging, verwerving (akiro)

erwidern*

1. antwoorden, antwoorden op, beantwoorden, verantwoorden (respondi)

erwirken*

1. effect sorteren, uitwerking hebben, werken, uitwerken (efiki)

erwischen*

1. beetkrijgen, beetnemen, pakken, vangen, vastpakken, vatten (kapti)

erwünscht*

1. begerenswaardig, begeerlijk, wenselijk (dezirinda)

erwürgen*

1. neerslaan, onderdrukken, smoren, verkroppen, verstikken (sufoki)

Erz*

1. brons, tinbrons (bronzo)
2. erts (minajho)

erzählen*

1. debiteren, verhalen, vertellen (rakonti)

Erzählung*

1. relaas, verhaal, vertelling, vertelsel (rakonto)

Erzbischof*

1. aartsbisschop (chefepiskopo)

erzeugen*

1. afwerpen, opbrengen, opleveren, voortbrengen (produkti)

Erzeugung*

1. productie, voortbrenging (produktado)
2. gewrocht, opbrengst, productie, voortbrengsel (produkto)

Erzgebirge*

1. Ertsgebergte (Ercmontaro)

erziehen*

1. dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden (eduki)
2. onderwijzen, opvoeden (guverni)

Erziehung*

1. opvoeding, vorming (edukado)
2. opleiding, opvoeding (eduko)

Erziehung leiten*

1. onderwijzen, opvoeden (guverni)

erzielen*

1. bereiken, behalen, inhalen, reiken tot, treffen (atingi)

erzittern*

1. beginnen te trillen (ektremi)

erzürnen*

1. kwaad maken, op stang jagen, vertoornen (kolerigi)

Erzvater*

1. aartsvader, patriarch (patriarko)

erzwingen*

1. afdwingen, afpersen, knevelen (eldevigi)

es*

1. 't, het (ghi)
2. 't, het (ghin)

Esche*

1. es (frakseno)

Esel*

1. ezel (azeno)

Eskadron*

1. eskadron (eskadrono)
2. eskadron (skadro)

Eskarpe*

1. escarpe (eskarpo)

Eskimo*

1. Eskimo (eskimo)

Eskorte*

1. begeleiding, escort, geleide, vrijgeleide (eskorto)

eskortieren*

1. begeleiden, escorteren, gewapend begeleiden (eskorti)

esoterisch*

1. alleen voor ingewijden, esoterisch (esotera)

Esparsette*

1. esparcette (onobriko)

Espe*

1. esp, ratelpopulier (tremolo)

Esperantismus*

1. esperantisme (esperantismo)

Esperantist*

1. Esperantist (esperantisto)

Esperanto*

1. Esperanto (esperanto)

Essay*

1. probeersel, proefstuk (provajho)

eßbar*

1. eetbaar (manghebla)

Esse*

1. haard (ardejo)
2. haard, haardstede, open haard, stookplaats, vuurhaard (fajrejo)
3. schoorsteen, schoorsteenpijp (kamentubo)

Essenz*

1. essence, essentie, kern, wezen, wezenheid (esenco)

Essig*

1. azijn, edik (vinagro)

Este*

1. Est, Estlander (estono)

estisch*

1. Estlands (estona)

Estland*

1. Estland (Estonujo)

Estrade*

1. bestuur, leiding, podium, tribune, verhevenheid, verhoging (estrado)

etablieren*

1. inrichten, oprichten, stichten, vestigen (establi)

Etablissement*

1. etablissement, instelling, vestiging (establo)

Etage*

1. etage, verdieping (etagho)

Etagenwohnung*

1. appartement, flat (apartamento)

Etamin*

1. dundoek, etamine, vlaggendoek, zeefdoek (stamino)

Etat*

1. borderel, lijst, staat, loonstaat, tabel (etato)

Ethik*

1. ethiek, zedenkunde, zedenleer (etiko)

Ethnographie*

1. etnografie (etnografio)

Ethnologie*

1. etnologie, volkenkunde (etnologio)

Ethologie*

1. ethologie (etologio)

Ethymologie*

1. etymologie, woordafleiding (etimologio)

Etikette*

1. etiket, etiquette, label (etiketo)

etliche*

1. een paar, enige, enkele, sommige, wat (kelkaj)

Etude*

1. etude, schets (etudo)

Etüde*

1. studie (studajho)

Etui*

1. foedraal, houder, schede (ingo)

etwa*

1. circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat (proksimume)
2. daaromheen, eromheen, in het rond, ongeveer, rondom (chirkaue)

etwaig*

1. eventueel, gebeurlijk (eventuala)

etwaige*

1. bestaanbaar, mogelijk (ebla)

etwas*

1. iets (io)
2. een beetje, een weinig, enigszins, nogal, tamelijk, wat (iom)
3. enig (iom da)

Eucharistie*

1. eucharistie (eukaristio)

Eudiometer*

1. eudiometer (eudiometro)

euer*

1. uw, je, jouw, jullie (via)

euerthalben*

1. om uwentwege (pro vi)

Eule*

1. uil (strigo)

Eunuch*

1. eunuch (eunuko)

Euphemismus*

1. eufemisme (eufemismo)

eurige*

1. uw, je, jouw, jullie (via)

Europa*

1. Europa (Europo[1])
2. Europa (Europo[2])
3. Europa (Europo[3])

Europäer*

1. blanke, Europeaan (blankulo)
2. Europeaan (europano)

europäisch*

1. Europees (europa)

Europäische Union*

1. Europese Unie (Europa Unio)

Euter*

1. pram, uier (mamego)

evangelisch*

1. evangelisch (evangelia)

Evangelium*

1. evangelie (evangelio)

eventuell*

1. misschien, mogelijk, mogelijkerwijs, soms, wellicht (eble)
2. eventueel, gebeurlijk (eventuala)

evident*

1. apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken (evidenta)

Evolution*

1. evolutie (evolucio)

ewig*

1. eeuwig (eterna)

Ex-*

1. ex-, gewezen, oud-, voormalig, vroeger (eks-)

exakt*

1. accuraat, exact, nauwkeurig (ekzakta)
2. juist, minutieus, precies, scherp, secuur, stipt, zorgvuldig (preciza)

Examen*

1. examen, keuring, onderzoek, nauwkeurig onderzoek (ekzameno)

examinieren*

1. examineren, nakijken, onderzoeken, nauwkeurig onderzoeken (ekzameni)

Exanthem*

1. uitslag, huiduitslag (ekzantemo)

Exegese*

1. bijbeluitleg, exegese, tekstverklaring, uitlegging (ekzegezo)

exekutieren*

1. executeren, ter dood brengen, terechtstellen (ekzekuti)

Exekution*

1. executie, terdoodbrenging, terechtstelling (ekzekuto)

Exempel*

1. toonbeeld, voorbeeld (ekzemplo)

Exemplar*

1. afdruk, exemplaar (ekzemplero)

exentrisch*

1. buitenissig, excentrisch, vreemd (ekscentra)

exerzieren*

1. drillen, oefenen (ekzerci)

Exerzitium*

1. oefening (ekzerco)

Exil*

1. ballingschap, verbanning (ekzilo)

Existenz*

1. bestaan, zijn (ekzisto)
2. zijn, wezen (estado)

existieren*

1. bestaan (ekzisti)

exklusive*

1. exclusief, uitsluitend (ekskluzive)

exkommunizieren*

1. excommuniceren, in de ban doen (ekskomuniki)

Exkrement*

1. drek, ontlasting, poep, uitwerpselen (ekskremento)

Exkursion*

1. excursie, tocht, toer, trip, uitstapje (ekskurso)

Exodus*

1. Exodus (Eliro)

Expansion*

1. expansie, uitzetting (ekspansio)

expedieren*

1. afzenden, expediëren, verzenden (ekspedi)

Experiment*

1. experiment, proef, proefneming (eksperimento)

explodieren*

1. exploderen, losbarsten, ontploffen, springen, uitbarsten (eksplodi)

exploitieren*

1. exploiteren, uitbuiten, uitmelken (ekspluati)

Explosion*

1. explosie, ontploffing, uitbarsting (eksplodo)

Exponent*

1. aanwijzer, exponent (eksponento)

Export*

1. export, uitvoer (eksporto)

exportieren*

1. exporteren, uitvoeren (eksporti)

expreß*

1. snel, speciaal (ekspresa)

Extemporale*

1. onverwachte oefening (ekstemporalo)

extra*

1. extra (ekstra)

extrahieren*

1. afleiden, zetten (ekstrakti)
2. ontlokken, tappen, trekken, te voorschijn trekken, uithalen (eltiri)

Extrakt*

1. extract, uittreksel (ekstrakto)

Extravaganz*

1. buitennissigheid, buitensporigheid, extravagantie (ekstravaganco)

extrem*

1. bovenmatig, ergst, extreem, uiterst, ultra (ekstrema)

Exzellenz*

1. excellentie (ekscelenco)
2. eerwaarde, hoogheid, majesteit (moshto)

Exzeß*

1. buitensporigheid, exces, overdaad, uitspatting, uitwas (eksceso)
2. onmatigheid (malmodereco)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
D Zurück F
D Niederländisch-Deutsch F
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003