Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)D

da*

1. hier, hierzo, kijk, ziedaar, ziehier, ziezo (jen)
2. aangezien, daar, doordat, omdat (pro tio ke)
3. aangezien, daar, omdat, vermits (tial ke)
4. aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl (char)

dabei*

1. daarnaast, ernaast, hiernaast, in de nabijheid (apude)
2. daarmee, daarmede, met dat (kun tio)

Dach*

1. dak, kap, overkapping (tegmento)

Dachboden*

1. zolder (subtegmento)

Dachrinne*

1. dakgoot (tegmenta defluilo)

Dachs*

1. das (melo)

Dachschindel*

1. dakplankje (shindo)

Dachstübchen*

1. dakkamertje, zolderkamer, zolderkamertje (mansardo)

Dachziegel*

1. pan, dakpan (tegolo)

dadurch*

1. daarmee, daarmede (per tio)

dafür*

1. daartoe, daarvoor, ervoor (por tio)
2. daardoor, daarom, vandaar, zodoende (pro tio)

dafür halten*

1. achten, geloven, van mening zijn, vinden (opinii)

dagegen*

1. daarentegen, ertegenover, integendeel (kontraue)
2. integendeel (male)
3. doch, maar (sed)

daheim*

1. thuis (hejme)

daher*

1. daarvan, daar ... vandaan, vandaar (de tie)
2. daarom, derhalve (tial)

dahin*

1. heen, over, vandoor, verwijderd, voort, weg (for)
2. daarheen (tien)

damalig*

1. toenmalig (tiama)

damals*

1. dan, destijds, toen, toenmaals, toentertijd (tiam)

Damast*

1. damast (damasko)

Dame*

1. jonkvrouw, vrouwe (damo[1])
2. dame, mevrouw (sinjorino[1])

Damen und Herren*

1. dames en heren, meneer en mevrouw (gesinjoroj)

Damespiel*

1. damspel (damludo)

damit*

1. daarbij (kun ghi)
2. opdat (por ke)

Damm*

1. dijk, waterkering (digo)

Dämmerung*

1. avondschemering, vallen van de nacht (noktigho)

Dämon*

1. boze geest, demon, duivel (demono)

Dampf*

1. damp, stoom, wasem (vaporo)

dämpfen*

1. blussen, doven, uitblussen, uitdoen, uitdoven, uitmaken (estingi)
2. stillen, sussen, temmen, tot rust brengen, verslaan (kvietigi)

Dampfer*

1. stoomboot (vaporshipo)

Damspiel*

1. damspel (damludo)

danach*

1. daarop, vervolgens (post tio)
2. dan, destijds, toen, toenmaals, toentertijd (tiam)

Dandy*

1. dandy, fat, kwast, modepop, saletjonker (dando)

Däne*

1. Deen (dano)

daneben*

1. daarnaast, ernaast, hiernaast, in de nabijheid (apude)

Dänemark*

1. Denemarken (Danujo)

Dänin*

1. Deense (danino)

dänisch*

1. Deens (dana)

dank*

1. dank zij (danke al)

dankbar*

1. dankbaar, erkentelijk (danka)
2. dankbaar (dankema)

danke*

1. bedankt, dank u (dankon)

danken*

1. danken, bedanken, dank betuigen, te danken hebben (danki)

dann*

1. achteraf, daarna, dan, naderhand, vervolgens (poste)
2. dan, destijds, toen, toenmaals, toentertijd (tiam)

dann und wann*

1. af en toe, bij tijd en wijlen, bij wijlen, nu en dan, van tijd tot tijd (de tempo al tempo)

darauf*

1. achteraf, daarna, dan, naderhand, vervolgens (poste)

Darbietung*

1. aanbieding, optreden, presentatie, uitvoering, voorstelling (prezentado)
2. aanbieding (prezento)

Dardanellen*

1. Dardanellen (Dardaneloj)

darin*

1. daarin, erin (en tio)
2. daarin (en ghi)

darlegen*

1. beduiden, duidelijk maken, uitleggen, verhelderen, verklaren (klarigi)

darleihen*

1. lenen (prunti)

Darm*

1. darm (intesto)

Darmfell*

1. buikvlies (peritoneo)

Darreichung*

1. aanbieding, optreden, presentatie, uitvoering, voorstelling (prezentado)

Darrsucht*

1. atrofie, verschrompeling (atrofio)

Darstellung*

1. aanbieding, optreden, presentatie, uitvoering, voorstelling (prezentado)

darüber*

1. daaromtrent, daarover, daarvan (pri tio)

darum*

1. daardoor, daarom, vandaar, zodoende (pro tio)
2. daarom, derhalve (tial)

das*

1. de, het, 't (la)
2. 't, de, het (l')
3. dat, datgene, dat daarginds, zulks (tio)

das deine*

1. de jouwe, het jouwe (la cia)

da sein*

1. bestaan (ekzisti)

Dasein*

1. bestaan, zijn (ekzisto)

das Ganze*

1. al, alles, de hele hoeveelheid, de gehele hoeveelheid (chiom)

das heißt*

1. dat wil zeggen (tio estas)

das ist*

1. dat wil zeggen (tio estas)

das meine*

1. de mijne, het mijne (la mia)

daß*

1. dat (ke)
2. opdat (por ke)

das seine*

1. de zijne, het zijne (la lia)

dasselbe*

1. dezelfde, hetzelfde (la sama)

das unsere*

1. het onze, de onze (la nia)

Dativ*

1. datief, derde naamval (dativo)

Datum*

1. dagtekening, datering, datum (dato)

Dauer*

1. duur (daurado)
2. duur, tijdsduur (dauro)

dauern*

1. aanhouden, beklijven, duren, standhouden, voortduren (dauri)

Daumen*

1. duim (dika fingro)
2. duim (dikfingro)
3. duim (polekso)

Däumling*

1. Klein Duimpje (Dikfingrulo)

Daune*

1. dons, nesthaar, waas (lanugo)

Dauß*

1. aas (aso)

davon*

1. daarvan (de tio)

dazu*

1. daartoe, daarvoor, ervoor (por tio)

Dazwischenkunft*

1. ingreep, interventie, tussenkomst, voorspraak (interveno)

dazwischentreten*

1. ingrijpen, interveniëren, tussenbeide komen (interveni)

DDR*

1. DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland (Germana Demokratia Respubliko)

Debatte*

1. debat (debato)

Debet*

1. debet, debetzijde (debeto)

Debit*

1. afname, aftrek, afzet, omzet (debito)

debutieren*

1. debuteren (debuti)

Dechant*

1. decaan, deken (dekano)

dechiffrieren*

1. ontcijferen, ontraadselen (dechifri)

Deck*

1. dek, scheepsdek, verdek (ferdeko)

Decke*

1. dek, dekking, bedekking, hulsel (kovrajho)
2. bedekking, deksel, kaft, omslag (kovrilo)
3. dek, bedekking (kovro)
4. dek, deken (litkovrilo)
5. hoogtegrens, plafon, plafond, zolder, zoldering (plafono)

Deckel*

1. bedekking, deksel, kaft, omslag (kovrilo)

decken*

1. beleggen, dekken, bedekken, toedekken (kovri)

deduzieren*

1. abstraheren, afleiden, deduceren (dedukti)

defekt*

1. defect, kapot, stuk (difekta)

definieren*

1. bepalen, definiëren, omschrijven (difini)

definitiv*

1. definitief, onherroepelijk, vast (definitiva)

Defizit*

1. deficit, tekort, kastekort, nadelig saldo (deficito)

Degen*

1. degen, zijdgeweer (spado)

degenerieren*

1. degenereren, ontaarden, verbasteren, verworden, zinken (degeneri)

degeneriert*

1. gedegenereerd, ontaard (degenerinta)

degradieren*

1. degraderen, verlagen (degradi)

dehnen*

1. verbreden (plilarghigi)

Deich*

1. dijk, waterkering (digo)

Deichsel*

1. dissel, disselboom (timono)

dein*

1. je, jouw (cia)
2. uw, je, jouw, jullie (via)

deinerseits*

1. uwerzijds (viaflanke)

deinig*

1. uw, je, jouw, jullie (via)

Deismus*

1. deïsme (diismo)

Dekade*

1. decade, dekade (dekado)

Dekadenz*

1. decadentie, verval (dekadenco)

Dekagramm*

1. decagram, lood (dekagramo)

Dekameter*

1. decameter, roede (dekametro)

Dekan*

1. decaan, deken (dekano)

Deklamation*

1. declamatie, voordracht (deklamado)

deklamieren*

1. declameren, opzeggen, voordragen (deklami)

deklarieren*

1. aangeven, betuigen, declareren, verklaren (deklari)

deklinieren*

1. declineren, verbuigen (deklinacii)

Dekokt*

1. afkooksel (dekokto)

dekolletieren*

1. decolleteren (dekolti)

Dekoration*

1. decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering (dekoracio)
2. decoratie, ereteken, orde, kloosterorde, ridderorde (ordeno)
3. opsmuk, ornament, sieraad, tooi, versiering (ornamo)

Dekret*

1. besluit, decreet, verordening, voorschrift (dekreto)

dekretieren*

1. decreteren, verordenen, voorschrijven (dekreti)

Delegation*

1. afvaardiging, delegatie (delegacio)

delegieren*

1. afvaardigen, delegeren (delegi)

Delegierter*

1. afgevaardigde, gedelegeerde (delegito)

delikat*

1. fijn, lekker, smakelijk, van goede smaak getuigend (bongusta)
2. delicaat, fijn, gevoelig, iel, kies, kieskeurig, tactvol, teder, teer (delikata)

delirieren*

1. ijlen, kolderen, malen, raaskallen (deliri)

Delphin*

1. dolfijn (delfeno)

Delta*

1. delta (delto)

Demagoge*

1. demagoog, volksmenner (demagogo)

dem Anschein nach*

1. in schijn, naar het schijnt, schijnbaar, ogenschijnlijk (shajne)

Demokrat*

1. democraat (demokrato)

Demokratie*

1. democratie, volksregering (demokratio)

Demonstration*

1. bewijs, demonstratie, vertoning (demonstracio)

Demonstrativpronomen*

1. aanwijzend voornaamwoord (demonstrativo)

Demut*

1. deemoed, nederigheid, ootmoed (humileco)

demütig*

1. deemoedig, nederig, onderdanig (humila)

demütigen*

1. kleinmaken, vernederen, verootmoedigen (humiligi)

den Dienst haben*

1. dienst hebben, wacht hebben (dejhori)

den Hof machen*

1. het hof maken, scharrelen, vrijen (amindumi)

denken*

1. denken (pensi)

Denker*

1. filosoof, wijsgeer (filozofo)
2. denker (pensulo)

Denkmal*

1. gedenkteken, monument (monumento)

Denkmünze*

1. medaille, penning (medalo)

Denkspruch*

1. sententie, spreuk, zinspreuk (sentenco)

denn*

1. aangezien, daar, omdat, vermits, want, wijl (char)

dennoch*

1. echter, maar, niettemin, toch (tamen)

den Unterbauch betreffend*

1. abdominaal (abdomena)

denunzieren*

1. aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken (denunci)

den Vorsitz haben*

1. presideren, voorzitten (prezidi)

den Vorwand brauchen*

1. doen alsof, voorgeven, voorwenden (preteksti)

den Vorzug geben*

1. de voorkeur geven aan, prefereren, verkiezen, voortrekken (preferi)

Departement*

1. departement (departemento)

Depesche*

1. depêche, telegram (depesho)

deponieren*

1. afgeven, deponeren, in bewaring geven, inleggen (deponi)

deputieren*

1. afvaardigen, deputeren, tot afgevaardigde kiezen (deputi)

der*

1. de, het, 't (la)
2. 't, de, het (l')

derartige*

1. dergelijk, dusdanig, zo, zodanig, zo een, zo'n, zulk, zulk een (tia)

derartiger*

1. dergelijk, dusdanig, zo, zodanig, zo een, zo'n, zulk, zulk een (tia)

derartiges*

1. dergelijk, dusdanig, zo, zodanig, zo een, zo'n, zulk, zulk een (tia)

der deine*

1. de jouwe, het jouwe (la cia)
2. de jouwe, de uwe, die van jullie (la via)

deren*

1. van wie, wiens, wier, wie d'r, wie z'n (kies)
2. diens, dier, die z'n, die d'r (ties)

der euere*

1. de jouwe, de uwe, die van jullie (la via)

der Ihre*

1. de jouwe, de uwe, die van jullie (la via)

der meine*

1. de mijne, het mijne (la mia)

der seine*

1. de zijne, het zijne (la lia)

derselbe*

1. dezelfde, hetzelfde (la sama)

der unsere*

1. het onze, de onze (la nia)

deshalb*

1. daardoor, daarom, vandaar, zodoende (pro tio)
2. daarom, derhalve (tial)

desinfizieren*

1. desinfecteren, ontsmetten (desinfekti)

Despot*

1. dwingeland, despoot (despoto)

Despotismus*

1. dwingelandij, despotisme (despotismo)

dessen*

1. van wie, wiens, wier, wie d'r, wie z'n (kies)
2. diens, dier, die z'n, die d'r (ties)

Dessert*

1. dessert, nagerecht, toespijs, toetje (deserto)

destillieren*

1. branden, distilleren, overhalen, stoken (distili)

desto*

1. des te (des)

Detachement*

1. afdeling, detachement, team (tachmento)

detailliert*

1. ampel, gedetailleerd, in het klein, omstandig, uitvoerig (detala)

Detektivbüro*

1. detectivebureau (detektivejo)

determinieren*

1. determineren, nauwkeurig bepalen (determini)

deuten*

1. duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken (interpreti)

deutlich*

1. duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver (klara)

deutsch*

1. Duits (germana)

Deutsche*

1. Duitse (germanino)

Deutsche Demokratische Republik*

1. DDR, Duitse Democratische Republiek, Oost-Duitsland (Germana Demokratia Respubliko)

Deutscher*

1. Duitser (germano)

deutsche Sprache*

1. Duits, Duitse taal (germana lingvo)

Deutschland*

1. Duitsland (Germanujo)

Devise*

1. devies, leus, leuze, lijfspreuk, wapenspreuk, zinspreuk (devizo)

Dezember*

1. december, wintermaand (decembro)

Deziliter*

1. deciliter, maatje (decilitro)

Dezimalbruch*

1. decimaal (decimalo)

Dezimeter*

1. decimeter, palm (decimetro)

Diabetes*

1. diabetes, suikerziekte (diabeto)

Diadem*

1. diadeem, hoofdsieraad, koningskroon (diademo)

diagnosieren*

1. diagnostiseren (diagnozi)

Diagonale*

1. diagonaal, hoeklijn (diagonalo)

Diakon*

1. diaken (diakono)

Dialekt*

1. dialect, tongval (dialekto)
2. idioom, taaleigen (idiomo)

Dialektik*

1. dialectiek, redeneerkunde (dialektiko)

Dialog*

1. dialoog, tweegesprek, tweespraak (dialogo)

Diamant*

1. diamant (diamanto)

Diameter*

1. diameter, middellijn (diametro)

Diarrhöe*

1. buikloop, diarree (lakso)

Diät*

1. dieet (dieto)

dich*

1. je, jou (cin)

dicht*

1. dicht, dik, gebonden (densa)

dichten*

1. verzen maken, versen schrijven (versi)

Dichter*

1. dichter (poeto)

Dichtigkeit*

1. dichtheid (denseco)

Dichtkunst*

1. dichtkunst, poëzie (poezio)

Dichtung*

1. dichtkunst, poëzie (poezio)
2. gedicht, vers (versajho)

dick*

1. dik, lijvig (dika)

Dickicht*

1. <dicht bos of struikgewas> (densejo)

Didaktik*

1. didactiek (didaktiko)

die*

1. de, het, 't (la)
2. 't, de, het (l')
3. die (tiuj)
4. 'r, d'r, haar, ze, zij (shi)

die Absicht haben*

1. van plan zijn, voorhebben, voornemens zijn, zich voorstellen (intenci)

Dieb*

1. dief, steler (shtelisto)

Dieberei*

1. buit (shtelajho)

die Bretagne*

1. Bretagne (Bretonujo)

Diebstahl*

1. diefstal, ontvreemding (shtelo)

die deine*

1. de jouwe, het jouwe (la cia)

die Kochkunst betreffend*

1. culinair (kulinara)

Diele*

1. vloer (planko)

Dielung*

1. vloer (planko)

die meine*

1. de mijne, het mijne (la mia)

dienen*

1. dienen, bedienen, helpen, van dienst zijn (servi)
2. baten, helpen, van nut zijn (utili)

Diener*

1. bediende, dienaar, knecht (servisto)

die Niederlande*

1. Nederland (Nederlando)

Dienst*

1. ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring (ofico)
2. bediening (servado)
3. dienst (servo)

Dienstag*

1. dinsdag (mardo)

Dienstbote*

1. dienares, dienstmeisje, meid (servistino)

Dienstgehilfe*

1. adjunct, assistent, helper (adjunkto)

Dienstmann*

1. kruier, pakjesdrager, sjouwer, witkiel (portisto)

dies*

1. dat, datgene, dat daarginds, zulks (tio)
2. dit, dit hier (tio chi)
3. dit, dit hier (chi tio)

die Schweiz*

1. Zwitserland (Svisujo)

diese*

1. deze, dit (tiu chi)
2. deze, dit (chi tiu)

die seine*

1. de zijne, het zijne (la lia)

dieselbe*

1. dezelfde, hetzelfde (la sama)

dieser*

1. deze, dit (tiu chi)
2. deze, dit (chi tiu)

dieses*

1. deze, dit (tiu chi)
2. deze, dit (chi tiu)

die Türkei*

1. Turkije (Turkujo)

die Ukraine*

1. Oekraïne (Ukrainio)
2. Oekraïne (Ukrainujo)

differieren*

1. schelen, uiteenlopen, verschillen (diferenci)

Diffusion*

1. diffusie, verspreiding (difuzo)

digerieren*

1. digereren, verduwen, verteren, verwerken (digesti)

Diktat*

1. dictaat (diktato)
2. dictee (diktajho)

Diktator*

1. dictator (diktatoro)

diktieren*

1. dicteren (dikti)

Dilemma*

1. dilemma (dilemo)

Dimension*

1. bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid (amplekso)
2. afmeting, dimensie (dimensio)

Diminutiv*

1. verkleinwoord (diminutivo)

Diner*

1. diner, middageten, middagmaal (tagmangho)

Ding*

1. aangelegenheid, affaire, ding, zaak (afero)
2. ding, voorwerp (ajho)
3. ding, mikpunt, object, onderwerp, voorwerp, lijdend voorwerp (objekto)

dingen*

1. aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen (dungi)
2. afdingen, marchanderen, pingelen (marchandi)

Diözese*

1. bisdom (eparkio)

Diphtherie*

1. difterie (difterio)

Diphthong*

1. diftong, tweeklank (diftongo)

Diplom*

1. akte, brevet, bul, diploma (diplomo)

Diplomat*

1. diplomaat (diplomato)

Diplomatie*

1. diplomatie (diplomatio)

dir*

1. aan je, aan jou, je, jou, naar je, naar jou (al ci)

direkt*

1. direct, live, recht, rechtstreeks (rekta)
2. direct, overeind, rechtop (rekte)

Direktion*

1. directie (direkcio)

Direktor*

1. bestuurder, directeur (direktoro)

Direktorium*

1. raad van beheer (direktorio)

Dirigent*

1. gerant, manager, menner (direktanto)

dirigieren*

1. besturen, dirigeren, mennen, richten (direkti)

Dirne*

1. meid, meisje (knabino)

Diskant*

1. sopraan (soprano)

diskontieren*

1. disconteren, verdisconteren (diskonti)

diskret*

1. bescheiden, discreet, onopvallend (diskreta)

Diskretion*

1. bescheidenheid, discretie, stilzwijgen, stilzwijgendheid (diskreteco)

Diskus*

1. discus, plaat, grammofoonplaat, schijf (disko)

Diskussion*

1. bespreking, discussie (diskutado)
2. bespreking, discussie (diskuto)

diskutieren*

1. bespreken, discuteren, van gedachten wisselen (diskuti)

disponieren*

1. beschikken over, disponeren (disponi)

Disput*

1. dispuut, getwist (disputado)
2. dispuut, kwestie, strijd, twist, redetwist, twistgesprek (disputo)

disputieren*

1. disputeren, krakelen, twisten, redetwisten, strijden (disputi)

Dissertation*

1. dissertatie, verhandeling (disertacio)

Distanz*

1. spatie, tussenruimte (interspaco)

Distel*

1. distel (kardo)

Distelfink*

1. distelvink, putter (kardelo)

Distrikt*

1. arrondissement, district, gouw (distrikto)

Disziplin*

1. discipline, tucht (disciplino)

Dithyrambus*

1. dithyrambe, loflied (ditirambo)

Divan*

1. divan, rustbank, Turkse staatsraad (divano)

divergieren*

1. divergeren, uiteenlopen (diverghi)
2. divergeren (malkonverghi)

divers*

1. menigvoudig, menigvuldig, verschillend (diversa)

Dividende*

1. deeltal, dividend, winstaandeel (dividendo)

dividieren*

1. afbreken, delen, splitsen, opsplitsen, verdelen (dividi)

Division*

1. indeling, verdeling (dividado)
2. divisie, legerafdeling (divizio)

doch*

1. ja, jawel (jes)
2. echter, maar, niettemin, toch (tamen)

Docht*

1. kousje, lont, pit, lampepit (mecho)

Dock*

1. dok (doko)

Doge*

1. doge (dogho)

Dogge*

1. bloedhond, dog (dogo)

Dogma*

1. dogma, leerstelling, leerstuk (dogmo)

Dohle*

1. kerkkauw, torenkraai (monedo)

Doktor*

1. doctor (doktoro)
2. arts, dokter, geneesheer, medicus (kuracisto)

Doktrin*

1. doctrine, leer, geloofsleer (doktrino)

Dokument*

1. akte, bescheid, document, papier, schriftuur, stuk (dokumento)

Dolch*

1. dolk (ponardo)

Dollar*

1. dollar (dolaro)

Dollard*

1. Dollard (Dolardo)

dolmetschen*

1. duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken (interpreti)

Dolmetscher*

1. tolk (interpretanto)

Dom*

1. dom, kathedraal (katedralo)
2. koepel (kupolo)

Domäne*

1. domein, staatsboerderij (regha bieno)

dominikanisch*

1. dominicaans, dominicaner (dominika)

Dominikanische Republik*

1. Dominicaanse Republiek (Dominikanio)

Domino*

1. domino (domeno)

Donau*

1. Donau (Danubo)

Donner*

1. donder (tondro)

donnern*

1. bulderen, daveren, donderen (tondri)

Donnerstag*

1. donderdag (jhaudo)

doppelt*

1. dubbel, duplex, tweeledig, tweevoudig (duobla)

Dorf*

1. dorp, plaats (vilagho)

Dörfler*

1. dorpeling (vilaghano)

Dorfschulze*

1. burgemeester, burgervader, dorpsburgemeester (vilaghestro)

Dorn*

1. doorn (dorno)

Dornröschen*

1. Dorenroosje (Dornorozeto)

Dornschlehe*

1. sleedoornvrucht (prunelo)

dorren*

1. drogen, droogvallen, droog worden, opdrogen, uitdrogen, verdrogen (sekighi)

dörren*

1. drogen, afdrogen, droogmaken, uitdrogen (sekigi)

Dorsch*

1. kabeljauw (moruo)

dorthin*

1. daarheen (tien)

dortig*

1. gindse (tiea)

Dose*

1. doosje (skatoleto)

Dosis*

1. dosis (dozo)

Dotation*

1. bruidsschat, huwelijksgift (doto)

dotieren*

1. begiftigen, meegeven (doti)

Dotter*

1. dooier, eierdooier, eigeel (ovoflavo)

Dozent*

1. docent, leraar (docento)

Drache*

1. draak, vlieger (drako)
2. vlieger (flugludilo)

Drachme*

1. drachme (drakmo)

Dragon*

1. dragonder (dragono)

Dragoner*

1. dragonder (dragono)

Draht*

1. draad, metaaldraad (drato)

drainieren*

1. aftappen, afwateren, draineren, droogleggen (dreni)

drakonisch*

1. draconisch, uiterst streng (drakona)

Drama*

1. drama, toneelstuk (dramo)

Dramaturgie*

1. dramatiek, dramaturgie, toneelschrijfkunst (dramaturgio)

Drang*

1. hunkering, zucht (dezirego)
2. drang, druk, knel, pressie (premo)

drängen*

1. aandringen (insisti)
2. dringen, haasten, jachten, tot haast aanzetten, urgent zijn (urghi)

Drängerei*

1. gedrang (interpremado)

Drangsal*

1. rampspoed (malfelichego)

drapieren*

1. draperen (drapiri)

drastisch*

1. drastisch, sterk werkend (drasta)
2. afdoend, doeltreffend, effectief, werkdadig, werkzaam (efika)

dräuhen*

1. dreigen, bedreigen (minaci)

draußen*

1. buiten, daarbuiten, uiterlijk (ekstere)

drechseln*

1. draaien (torni)

Drechsler*

1. draaier (tornisto)

Dreck*

1. drek, modder, slijk, slik (koto)
2. smeerboel, smeerlapperij, smurrie, viezigheid, vuil, vuiligheid (malpurajho)

drehen*

1. twijnen, verbuigen, verdraaien, vertrekken, wringen, verwringen (tordi)
2. draaien (torni)
3. draaien, keren, omdraaien, ronddraaien, wenden, wentelen, zwenken (turni)

Drehorgel*

1. draaiorgel, pierement (gurdo)

Drehpunkt*

1. draaipen, luns, spil, tap (pivoto)

Drehung*

1. torsie, verdraaiing, wringing (tordo)
2. draaiing, rotatie, wenteling (turnado)

drei*

1. drie (tri)

Dreieck*

1. driehoek, triangel (triangulo)

Dreieinigkeit*

1. Drieëenheid (Triunuo)
2. drieëenheid, drievuldigheid (triunuo)

dreierlei*

1. drieërlei (trispeca)

Dreifaltigkeit*

1. Drieëenheid (Triunuo)

Dreikönigsfest*

1. Driekoningen (Epifanio)

Dreimaster*

1. driemaster (trimastulo)

Dreirad*

1. driewieler (triciklo)

dreißig*

1. dertig (tridek)

dreist*

1. boud, dapper, kloek, koen, moedig (kuragha)
2. dapper, driest, koen (maltimema)

dreizehn*

1. dertien (dek tri)

Drell*

1. dril, pilo (dreliko)

dreschen*

1. afranselen, afrossen, dorsen, hard slaan (drashi)

Dreschflegel*

1. vlegel, dorsvlegel (drashilo)

Dreschtenne*

1. deel, dorsvloer (drashejo)

dressieren*

1. africhten, dresseren, temmen (dresi)

Drillich*

1. dril, pilo (dreliko)

dringen*

1. dringen (pushadi)
2. douwen, dringen, duwen, stoten (pushi)
3. forceren, opdringen (trudi)

Droge*

1. dope, drogerij, drug, kruid (drogo)

drohen*

1. dreigen, bedreigen (minaci)

Drohung*

1. dreiging, bedreiging, dreigement (minaco)

drollig*

1. boertig, burlesk, kluchtig, koddig (burleska)
2. grappig, koddig, komisch, moppig (komika)

Dromedar*

1. dromedaris (dromedaro)

Droschke*

1. huurrijtuig (droshko)
2. aapje, huurrijtuig, vigilante (fiakro)

Drossel*

1. lijster (turdo)

drüben*

1. aan de overkant (transe)

Druck*

1. druk, pressie (premado)
2. drang, druk, knel, pressie (premo)
3. druk (preso)

Druck-*

1. druk- (presa)

drucken*

1. drukken, afdrukken, boekdrukken, printen (presi)

drücken*

1. dringen, drukken, knellen, persen, pressen (premi)

Drüse*

1. klier (glando)

Dschehenna*

1. hel (geheno)

du*

1. je, jij, ge, gij (vi[1])
2. je, jij, ge, gij (vi[5])

Dualismus*

1. dualisme (dualismo)

Dudelsack*

1. doedelzak (sakfluto)
2. doedelzak (sakshalmo)

Duett*

1. duet (dueto)

Duft*

1. aroma, geur (aromo)

duften*

1. geuren, rieken, ruiken (odori)

duftend*

1. geurend, geurig, riekend (odora)

Dukaten*

1. dukaat (dukato)

dulden*

1. doorstaan, lijden, ondergaan, uitstaan, velen, verdragen (suferi)
2. aanzien, dulden, lijden, toelaten, tolereren, velen, verdragen (toleri)

dumm*

1. dom, stompzinnig (malinteligenta)
2. bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig (stulta)

dumpfig*

1. duf, muf, vuns, vunzig (mucida)

Düne*

1. duin (duno)

düngen*

1. gieren, mesten, bemesten (sterki)

Dünger*

1. mest (sterko)

dunkel*

1. donker, somber (malhela)
2. donker, duister (malluma)

Dunkelheit*

1. donker, duister, duisternis (mallumo)

dünne Platte*

1. blad, folie, lamel, mesje, plaatje (lameno)

dünne Schicht*

1. blad, folie, lamel, mesje, plaatje (lameno)

dünnflüssig*

1. dun, vloeibaar (fluida)

Dunst*

1. damp, uitwaseming (haladzo)

Duplikat*

1. duplicaat (duplikato)

durch*

1. aan, door, met, per (per)

durchaus*

1. bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker (nepre)

durchaus nicht*

1. allesbehalve, helemaal niet, op geen stukken na (tute ne)

durchdringen*

1. binnendringen, doordringen, doorstoten (penetri)

Durchfall*

1. buikloop, diarree (lakso)

Durchgangshandel*

1. doorvoer, transit (transito)

durchgehen*

1. afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door (trairi)

durchhacken*

1. doorhakken (trahaki)

durchhauen*

1. doorhakken (trahaki)

Durchmesser*

1. diameter, middellijn (diametro)

durchqueren*

1. afleggen, aflopen, doorgaan, gaan door (trairi)

durchscheinend*

1. doorschijnend (diafana)

durchseihen*

1. filteren, filtreren, zijgen (filtri)

durchtränken*

1. impregneren (impregni)

dürfen*

1. mogen (havi permeson)
2. kunnen (povi)
3. het recht hebben, mogen (rajti)

Duro*

1. douro (duro)

Durst*

1. dorst (soifo)

dürsten*

1. dorst hebben, dorsten naar (soifi)

Dusche*

1. douche, stortbad (dusho)

düster*

1. mistroostig, naargeestig, somber, triestig (malgaja)
2. donker, somber (malhela)

Dynamik*

1. dynamica, krachtenleer (dinamiko)

Dynamismus*

1. dynamisme (dinamismo)

Dynamit*

1. dynamiet (dinamito)

Dynamo*

1. dynamo (dinamo)

Dynamometer*

1. dynamometer (dinamometro)

Dynastie*

1. dynastie, koningshuis, stamhuis, vorstenhuis (dinastio)

Dyspepsie*

1. dyspepsie, indigestie, slechte spijsvertering (dispepsio)

D-Zug*

1. D-trein (D-trajno)
2. D-trein (internacia rapidtrajno)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
C Zurück E
C Niederländisch-Deutsch E
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 4. März 2003 - © Kunst des Denkens 2003