Struktur Abkürzungen Phonetik Schriftarten Download

Universal-Fach-Wörterbuch

Deutsch-Niederländisch

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z  ?


Ectaco (5538 Byte)A

Aa*

1. Aa (Ahho)

Aachen n

Geog Aken *

Aal*

1. aal, paling (angilo)

Aalbeere*

1. zwarte aalbes, zwarte bes (nigra ribo)

Aalbutt*

1. schol (plateso)

Aalraupe*

1. kwabaal (lojto)

Aaltierchen*

1. azijnaaltje (angilulo)

Aas*

1. rakker, schalk, schelm (friponeto)
2. aas (kadavrajho)
3. aas, kadaver, kreng (mortajho)
4. kadaver, kreng (mortintajho)
5. guit, kwant, ondeugd, rakker, robbedoes, schalk, schelm, snaak (petolulo)
6. gladde vogel, slimmerd, slimmer

Aasfliege*

1. aasvlieg, strontvlieg (kadavromusho)

ab*

1. van (de[1])
2. heen, over, vandoor, verwijderd, voort, weg (for)

Abakus*

1. abacus (abako[1])
2. abacus, telraam (abako[2])

Abart*

1. aard, slag, soort (speco)

abbeißen*

1. afbijten (demordi)

abbeuchen*

1. de was doen, logen, wassen (lesivi)

Abbild*

1. beeld, afbeelding, figuur (figuro)

abbilden*

1. afbeelden, uitbeelden, verbeelden, verzinnelijken, voorstellen (figuri)

Abbildung*

1. image, verzinnelijking (figurajho)

abbitten*

1. gedaan krijgen (elpeti)

abbrassen*

1. brassen (brasi)

abbrechen*

1. losbreken (derompi)
2. breken, afbreken, doorbreken, schenden, stukbreken, verbreken (rompi)

abbröckeln*

1. gruizelen, kleinmaken (pecetigi)

abdachen*

1. overkappen, overkoepelen (tegmenti)

abdanken*

1. ontslaan, ontzetten, royeren (eksigi)
2. aftreden, bedanken, uittreden (eksighi)

abdecken*

1. ontdekken (malkovri)
2. afstropen, vellen (senfeligi)

Abdruck*

1. afschrift, afdruk, kopie, namaaksel (kopio)
2. drukwerk (presajho)

Abend*

1. avond (vespero)

Abenddämmerung*

1. avondschemering, vallen van de nacht (noktigho)
2. avondschemering (vespera krepusko)

Abendessen*

1. avondeten, avondmaal (vespermangho)

Abendland*

1. west, westen (okcidento)

Abendmahl*

1. avondeten, avondmaal (vespermangho)

abends*

1. 's avonds (vespere)

Abendzeitung*

1. avondblad, avondkrant (vespera jhurnalo)

Abent-*

1. avond- (vespera)

Abenteuer*

1. avontuur, lotgeval, perikel, wederwaardigheid (aventuro)

Abenteurer*

1. avonturier (aventuristo)
2. durfal, waaghals (riskemulo)

abentlich*

1. avond- (vespera)

aber*

1. doch, maar (sed)
2. echter, maar, niettemin, toch (tamen)

Aberglaube*

1. bijgeloof (supersticho)

abergläubisch*

1. bijgelovig (supersticha)

abermalig*

1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer (denove)
2. bis, nogmaals, nog een keer, weer (refoje)

abermals*

1. nogmaals, opnieuw, van voren af aan, wederom, weer, alweer (denove)
2. nogmaals, van voren af aan, weder, wederom, weer, alweer (ree)
3. bis, nogmaals, nog een keer, weer (refoje)

Abessinien*

1. Abessinië (Abisenujo)

Abessinier*

1. Abessijn, Abessiniër (abiseno)

abessynisch*

1. Abessijns (abisena)

abfahren*

1. afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden (forveturi)

Abfahrt*

1. afrit, afvaart, vertrek (forveturo)

abfällig*

1. ongunstig (malfavora)

abfassen*

1. componeren, maken, scheppen, schrijven (verki)

abfertigen*

1. afzenden, expediëren, verzenden (ekspedi)

abfeuern*

1. afvuren, losbranden (ekpafi)

abfliegen*

1. uitvliegen, vertrekken, vervliegen, wegvliegen (forflugi)

abführen*

1. afdrijven, laxeren, purgeren (laksigi)

Abführmittel*

1. laxeermiddel (laksilo)

Abgabe*

1. afgifte (fordono)
2. belasting, recht (imposto)
3. afgifte, inlevering, overdracht (transdono)

Abgang*

1. uittocht, vertrek (foriro)

abgedroschen*

1. afgezaagd, alledaags, banaal, gewoontjes, nietszeggend, plat (banala)

abgefeimt*

1. doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen (ruza)
2. geslepen, uitgekookt (ruzega)

abgehen*

1. trasseren, trekken (trati)

abgelebt*

1. aftands, bouwvallig, gammel, uitgeleefd, uitgewoond, wrak (kaduka)

abgeneigt*

1. ongunstig (malfavora)
2. afkerig (malinklina)

Abgeordneter*

1. afgevaardigde, gedelegeerde (delegito)
2. afgevaardigde, gedeputeerde (deputato)
3. afgevaardigde, gedeputeerde (deputito)

abgeschmackt*

1. absurd, dwaas, ongerijmd, onzinnig, zinneloos, zot (absurda)

abgesondert*

1. afgezonderd, afzonderlijk, bijzonder, los (aparta)

abgewöhnen*

1. afleren, afwennen (dekutimigi)
2. afleren, afwennen (dekutimighi)

Abgott*

1. afgod, idool (idolo)

abgrenzen*

1. scheiden (dislimi)
2. grenzen, begrenzen (limi)

Abgrund*

1. afgrond, kolk (abismo)

abhalten*

1. afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden (deteni)

abhanden*

1. kwijt, verloren, vervlogen (perdita)

Abhandlung*

1. artikel, bijdrage, opstel, stuk, verhandeling (artikolo[1])
2. traktaat, verdrag, verhandeling (traktato)

Abhang*

1. glooiing, helling, schuinte (deklivo)

abhängen*

1. afhangen, afhankelijk zijn, deel uitmaken (dependi)

abhängig*

1. aflopend, glooiend, hellend, schuin (dekliva)
2. afhankelijk, onderhorig (dependa)

abhärten*

1. harden, stalen, temperen (hardi)

abholen*

1. afhalen, rissen, ritsen, wegnemen (depreni)

Abiturient*

1. abituriënt (abituriento)

abkehren*

1. bezemen, vegen, aanvegen, opvegen, schoonvegen (balai)

Abkomme*

1. afstammeling, jong, kind, loot, nakomeling, spruit, telg (ido)
2. afstammeling, nakomeling, nazaat (posteulo)

abkommen*

1. afdwalen, opzijgaan (deflankighi)

Abkömmling*

1. afstammeling, jong, kind, loot, nakomeling, spruit, telg (ido)
2. afstammeling, nakomeling, nazaat (posteulo)

abkrümeln*

1. gruizelen, kleinmaken (pecetigi)

Abkunft*

1. afkomst, afstamming, komaf (deveno)
2. geslacht, stam, volksstam (gento)

abkürzen*

1. afkorten, bekorten, inkorten (mallongigi)

Ablaß*

1. aflaat (indulgenco)
2. aflaat (pekpardono)

ablassen*

1. afleggen, opgeven, prijsgeven (delasi)
2. afslaan, aftrekken, korten, korting geven (rabati)

Ablativ*

1. ablatief (ablativo)

Ableger*

1. afstammeling, jong, kind, loot, nakomeling, spruit, telg (ido)
2. aflegger, loot (markoto)

ablehnen*

1. het oneens zijn, weigeren (malkonsenti)
2. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)

ableiten*

1. abstraheren, afleiden, deduceren (dedukti)
2. afleiden, aftappen (derivi)
3. afdraaien, afkeren, pareren (deturni)

ablösen*

1. aflossen, de plaats innemen van, inspringen, vervangen (anstataui)

abmähen*

1. maaien, zichten (falchi)

abmessen*

1. meten, afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten (mezuri)

Abnahme*

1. aftrek (depreno)

abnehmen*

1. afzetten, amputeren, wegsnijden (amputi)
2. afhalen, rissen, ritsen, wegnemen (depreni)

Abneigung*

1. afkeer, antipathie, hekel, tegenzin (antipatio)

abnormal*

1. abnormaal (abnorma)

Abnormalität*

1. abnormaliteit, afwijking (nenormalajho)

abnutzen*

1. consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren (konsumi)

Abonnement*

1. abonnement (abono)

abordnen*

1. afvaardigen, delegeren (delegi)
2. afvaardigen, deputeren, tot afgevaardigde kiezen (deputi)

Abordnung*

1. afvaardiging, delegatie (delegacio)

Abort*

1. privaat, secreet, toilet (necesejo)

abpflügen*

1. afbreken, afrukken, plukken, afplukken, wegscheuren (deshiri)

abprallen*

1. aanslaan, opspringen, stuiten, afstuiten, terugspringen (resalti)

abraten*

1. afraden (dekonsili)

abräumen*

1. afnemen, afruimen (forigi la manghilaron)
2. afnemen, afpakken, weghalen, wegnemen (forpreni)

abrechnen*

1. aftellen, aftrekken, inhouden, korten (dekalkuli)
2. afwikkelen, liquideren, opheffen, solveren (likvidi)

abreiben*

1. aanstrijken, wrijven, uitwrijven (froti)

Abreise*

1. uittocht, vertrek (foriro)

abreisen*

1. afgaan, vertrekken, weggaan, zich verwijderen (foriri)
2. afrijden, uitlopen, uitvaren, vertrekken, wegrijden (forveturi)

abreißen*

1. afbreken, afrukken, plukken, afplukken, wegscheuren (deshiri)

abrichten*

1. africhten, dresseren, temmen (dresi)

Abriß*

1. uittreksel (epitomo)
2. ontwerp, opzet, plan, plattegrond (plano)

Absatz*

1. alinea, inspringende regel (alineo)
2. afname, aftrek, afzet, omzet (debito)
3. hak (kalkanumo)

abschaffen*

1. afschaffen, elimineren, opdoeken, uitmaken, verwijderen, wegdoen (forigi)

abschätzen*

1. begroten, schatten, taxeren, waarderen (taksi)
2. begroten, schatten, taxeren, waarderen (taksi)

Abschätzung*

1. raming, schatting, taxatie (takso)

abscheren*

1. knippen, scheren, snoeien (tondi)

Abscheu*

1. afgrijzen, afschrik, afschuw, walging, weerzin (abomeno)

abschicken*

1. afzenden, uitsturen, versturen, verzenden, wegsturen, wegzenden (forsendi)

Abschied*

1. afscheid, vaarwel (adiauo)

abschießen*

1. afvuren, losbranden (ekpafi)

abschlagen*

1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)

abschneiden*

1. afzetten, amputeren, wegsnijden (amputi)
2. afsnijden, afsteken (detranchi)
3. knippen, scheren, snoeien (tondi)

Abschnitt*

1. afgesneden stuk, afsnijden (detrancho)
2. geleding, segment (segmento)

abschrecken*

1. doen schrikken, opschrikken, schrik aanjagen (ektimigi)
2. bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen (timigi)

Abschrift*

1. afschrift, afdruk, kopie, namaaksel (kopio)

abschüssig*

1. aflopend, glooiend, hellend, schuin (dekliva)
2. steil (kruta)

abschweifen*

1. afslaan, afwijken (devii)

absehbar*

1. afzienbaar (antauvidebla)

absehen*

1. bedoelen, beogen, mikken, mikken op, rooien, ten doel hebben (celi)

abseits*

1. opzij, terzijde (flanke)

Absender*

1. afzender (adresinto)
2. afzender (adresonto)
3. zender, afzender, verzender (sendinto)

Absenker*

1. aflegger, loot (markoto)

absetzen*

1. degraderen, verlagen (degradi)

Absicht*

1. doel, bedoeling, plan, strekking, toeleg, voornemen, zin (intenco)

absichtlich*

1. expres, met opzet, moedwillig, wetens (intence)

Absinth*

1. alsem (absinto)

absolut*

1. bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker (nepre)

Absolution*

1. absolutie (senpekigo)

Absolutismus*

1. absolutisme (absolutismo)

absondern*

1. afzonderen, scheiden, afscheiden, schiften (apartigi)
2. afzonderen, isoleren (izoli)

abstammen*

1. afstammen, het gevolg zijn van, ontspruiten, voortkomen (deveni)

Abstammung*

1. afkomst, afstamming, komaf (deveno)

Abstand*

1. afstand, eind (distanco)
2. spatie, tussenruimte (interspaco)

abstauben*

1. stoffen, afstoffen, stof afnemen (senpolvigi)

abstellen*

1. afzetten, buiten werking stellen, stilzetten, stopzetten (malfunkciigi)

abstempeln*

1. aanmunten, afdrukken, slaan, stempelen, zijn stempel drukken op (stampi)

Abstimmung*

1. stemming (vochdono)

abstinent*

1. gereserveerd (sindetena)
2. bezadigd, matig, nuchter, sober, stemmig (sobra)

Abstinenz*

1. onthouding, terughoudendheid (sindeteno)

Abstinenzler*

1. abstemius, geheelonthouder (abstinenculo)
2. geheelonthouder (sindetenulo)
3. geheelonthouder (sobrulo)

abstoßen*

1. afstoten (depushi)

abstrakt*

1. abstract, afgetrokken (abstrakta)

abstufen*

1. nuanceren, schakeren (nuanci)

Abstufung*

1. nuance, nuancering, schakering (nuanco)

abstumpfen*

1. agaceren, irriteren, prikkelen (agaci)
2. afstompen, bot maken (malakrigi)

Absud*

1. afkooksel (dekokto)

absurd*

1. absurd, dwaas, ongerijmd, onzinnig, zinneloos, zot (absurda)

Abszeß*

1. abces, etterbuil, ettergezwel (absceso)

Abt*

1. abt (abato)

Abtei*

1. abdij (abatejo)

Abteil*

1. compartiment, coupé, treincoupé (kupeo)

abteilen*

1. afzonderen, scheiden, afscheiden, schiften (apartigi)

Abteilung*

1. afscheiding, clausuur, schifting (apartigo)
2. afdeling, branche, tak, vak (fako)
3. afdeling, detachement, team (tachmento)

abtragen*

1. uitdragen, wegbrengen, wegdragen (forporti)

abtrennen*

1. afzonderen, scheiden, afscheiden, schiften (apartigi)

abtreten*

1. afstaan, het veld ruimen, toegeven, wijken, zwichten (cedi)

Abtritt*

1. privaat, secreet, toilet (necesejo)

Abtrittsgrube*

1. latrine (latrino)

abtrünnig*

1. afvallig (apostata)
2. oproerig, opstandig, rebels, weerspannig (ribela)

abwägen*

1. het gewicht bepalen, wegen, afwegen (pesi)

abwärts*

1. naar beneden, neerwaarts, omlaag (malsupren)

Abwechslung*

1. afwisseling (alterno)
2. diversiteit, verscheidenheid, verschot (diverseco)
3. keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling (shangho)

Abwehr*

1. preventie (antaugardo)
2. afweer, defensie, verdediging, weer, verweer (defendo)
3. afwering, verdediging, verweer (kontraubatalo)

abweichen*

1. afwijken (deklinighi)
2. afslaan, afwijken (devii)
3. schelen, uiteenlopen, verschillen (diferenci)

Abweichung*

1. afwijking (devio)

abwenden*

1. afdraaien, afkeren, pareren (deturni)

abwesend*

1. afwezig (foresta)

Abwesenheit*

1. afwezigheid (foresteco)
2. absentie, afwezigheid, mangel, uitstedigheid, verstek, verzuim (foresto)

abzahlen*

1. betalen, dokken, storten, uitbetalen, uitkeren, voldoen (pagi)

Abzeichen*

1. embleem, kleur, zinnebeeld (emblemo)
2. bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk (signo)

abzeichnen*

1. tekenen, aftekenen, trekken, uittekenen (desegni)

abziehen*

1. aftrekken (subtrahi)

Abzug*

1. aftocht (deiro)
2. uittocht, vertrek (foriro)

Acetat*

1. acetaat, azijnzuur zout (acetato)

ach*

1. ach, ah, ha, oh, och (ha)
2. o, och (ho)

Achat*

1. agaat (agato)

Acheron*

1. Acheron (Akerono)
2. Acheron (Ahherono)

Achilles*

1. Achilles (Akilo)

achromatisch*

1. achromatisch (akromata)

Achse*

1. as, spil (akso)

Achsel*

1. schouder (shultro)

Achselhöhle*

1. oksel (akselo)

Achselklappe*

1. epaulet, schouderbedekking (epoleto)

acht*

1. acht (ok)

achtbar*

1. achtbaar, achtenswaardig (estiminda)

achten*

1. achten, achting hebben voor, achting toedragen, hoogachten (estimi)
2. hechten aan, houden van, mogen, waarderen (shati)

ächten*

1. vogelvrij verklaren (proskripcii)

achtgeben*

1. acht slaan op, letten op, opletten, oppassen, passen op (atenti)

achtlos*

1. achteloos, onachtzaam (senatenta)

achtsam*

1. aandachtig, oplettend (atentema)

Achtung*

1. aandacht, acht, attentie, oplettendheid (atento)
2. achting, tel (estimo)
3. eerbied, egards, ontzag, respect (respekto)

Ächtung*

1. proscriptie, vogelvrijverklaring (proskripcio)

Achtung einflößen*

1. imponeren, indruk maken op (imponi)

Achtung erweisen*

1. eerbiedigen, respecteren (respekti)

achtungsvoll*

1. eerbiedig (respekta)

achtzehn*

1. achttien (dek ok)

achtzig*

1. tachtig (okdek)

ächzen*

1. kermen, zuchten (ghemi)

Acker*

1. akker (agro)
2. acre (akro)

Ackerbau*

1. agricultuur, akkerbouw, landbouw (agrikulturo)

Adagio*

1. adagio (adagho)

Adam*

1. Adam (Adamo)

adäquat*

1. adequaat, bijbehorend (adekvata)

addieren*

1. bijdoen, bijmengen, bijvoegen, toegeven, toevoegen (aldoni)
2. optellen (sumigi)

Adel*

1. adel, edelen (nobelaro)
2. adeldom (nobeleco)

Adeliger*

1. edelman (nobelo)

adeln*

1. in de adelstand verheffen (nobeligi)

Ader*

1. ader, nerf, vlam (vejno)

adieu*

1. adieu, vaarwel (adiau)

Adjektiv*

1. adjectief, bijvoeglijk naamwoord (adjektivo)

adjektivisch*

1. bijvoeglijk (adjektiva)

Adjunkt*

1. adjunct, assistent, helper (adjunkto)

Adjutant*

1. adjudant, ordonnansofficier (adjutanto)

Adler*

1. adelaar, arend (aglo)

administrieren*

1. administreren, beheren, besturen, toedienen (administri)

Admiral*

1. admiraal, vlootvoogd (admiralo)

Admiralität*

1. admiraliteit (admiralitato)

Adoption*

1. adoptie (filigo)

Adressat*

1. geadresseerde (adresato)
2. geadresseerde (adresito)
3. geadresseerde (adresoto)

Adresse*

1. adres (adreso)

adressieren*

1. adresseren (adresi)

Adria*

1. Adriatische Zee (Adriatiko)

Adriatisches Meer*

1. Adriatische Zee (Adriatiko)

Adscharien*

1. Adzjarië (Aghario)

Advent*

1. advent (advento)

Adverb*

1. adverbium, bijwoord (adverbo)

Advokatur*

1. advocatuur (advokateco)

Aerolith*

1. aëroliet, meteoor, meteoorsteen (aerolito)

Aerometer*

1. aërometer, luchtmeter, luchtweger (aerometro)

Affe*

1. aap (simio)

Affekt*

1. aandoening, affect, emotie, gemoedsbeweging (afekcio)

affektieren*

1. zich aanstellen, zich voordoen (afekti)

äffen*

1. honen, spotten, bespotten (moki)
2. bedriegen, misleiden (trompi)

Affiche*

1. aanplakbiljet, affiche, plakkaat, poster (afisho)

Affix*

1. aanhechtsel, affix (afikso)

Afghane*

1. Afghaan (afgano)

afghanisch*

1. Afghaans (afgana)

Afghanistan*

1. Afghanistan (Afganujo)

Afrika*

1. Afrika (Afriko)

Afrikaander*

1. Afrikaans, Afrikaanse taal (afrikanso)

Afrikander*

1. Afrikaans, Afrikaanse taal (afrikanso)

Afrikaner*

1. Afrikaan (afrikano)

afrikanisch*

1. Afrikaans (afrika)

afro-asiatisch*

1. Afroaziatisch (afrikazia)

After*

1. aars, anus (anuso)
2. achterste, bips, gat, kont, staartstuk, zitvlak (postajho)

afterreden*

1. belasteren, kwaadspreken, roddelen (kalumnii)

Ägäische Meer*

1. Egeïsche Zee (Egeja Maro)

Agape*

1. agape, liefdemaal (agapo)

Agenda*

1. agenda, dagorde, zakalmanak (agendo)

Agent*

1. agent, dealer, vertegenwoordiger (agento)

Agentur*

1. agentschap (agenteco)
2. agentschapsbureau (agentejo)

agglutinieren*

1. agglutineren, doen samenkleven, samenplakken, verbinden (aglutini)

Aggregat*

1. aggregaat, aggregatie (agregato)

agieren*

1. ageren, doen, bezig zijn, handelen, optreden, te werk gaan (agi)

Agio*

1. agio, opgeld (aghio)

agitieren*

1. agiteren, ophitsen, opruien, opstoken, opwinden, schudden (agiti)

Aglei*

1. akelei (akvilegio)

Agnat*

1. agnaat (agnato)

Agonie*

1. agonie, doodsangst, doodsstrijd, stervensnood, zieltoging (agonio)

Agraffe*

1. agrafe, haakje, slot, spang (agrafo)

agrarisch*

1. agrarisch (agrara)

Ägypten*

1. Egypte (Egiptujo)

Ägypter*

1. Egyptenaar (egipto)

Ägypterin*

1. Egyptische (egiptino)

ah*

1. ach, ah, ha, oh, och (ha)

Ahle*

1. els, priem, steekpriem (aleno)
2. els (kudrilego)

Ahn*

1. stamvader, voorvader, voorzaat (prapatro)

ahnden*

1. straffen, bestraffen (puni)

ähneln*

1. lijken, gelijken, lijken op (simili)

Ahnenähnlichkeit*

1. atavisme (atavismo)

ähnlich*

1. eender, gelijkend, gelijksoortig, gelijkvormig, soortgelijk (simila)

Ähnlichkeit*

1. gelijkenis, overeenkomst (simileco)

ähnlich machen*

1. assimileren, in zich opnemen (asimili)

Ahnung*

1. voorgevoel (antausento)

Ahorn*

1. aak, ahorn, esdoorn (acero)

Ähre*

1. aar, kolf (spiko)

Akademie*

1. academie, genootschap, hogeschool (akademio)

Akanthus*

1. acanthus, bereklauw (akanto)

Akazie*

1. acacia (akacio)

akklamieren*

1. bij acclamatie benoemen, toejuichen, zijn bijval betuigen (aklami)

akklimatisieren*

1. acclimatiseren (aklimatizi)

Akkord*

1. akkoord, samenklank (akordo[2])
2. contract, verbintenis (kontrakto)

Akkumulator*

1. accu, accumulator (akumulatoro)

akkurat*

1. accuraat, nauwgezet, nauwkeurig, prompt, stipt, zorgvuldig (akurata)

Akkusativ*

1. accusatief, vierde naamval (akuzativo)

Akoluth*

1. altaardienaar, acoliet (akolito)

Akonit*

1. akoniet, monnikskap (akonito)

Akrobat*

1. acrobaat, kunstenmaker (akrobato)
2. equilibrist, kunstenmaker (ekvilibristo)

Akrostikon*

1. acrostichon, letterdicht, naamdicht (akrostiko)

Akt*

1. akte, bedrijf (akto[1])
2. akte, document, stuk (akto[2])

Akte*

1. akte, bedrijf (akto[1])
2. akte, document, stuk (akto[2])

Aktie*

1. aandeel, actie (akcio)

Aktieninhaber*

1. aandeelhouder (akciulo)

Aktionär*

1. aandeelhouder (akciulo)

aktiv*

1. actief, bedrijvend, bedrijving, werkdadig, werkend, werkzaam (aktiva)

Aktuar*

1. actuaris, archiefmedewerker (aktisto)

aktuell*

1. actueel, tegenwoordig (aktuala)

Akustik*

1. akoestiek, geluidsleer, klankleer (akustiko)

akut*

1. acuut, helder, scherp, voorbijgaand (akuta)

Akzent*

1. accent, klemtoon, nadruk (akcento)

Akzise*

1. accijns, verbruiksbelasting (akcizo)

Alabaster*

1. albast (alabastro)

Alarm*

1. alarm, onraad (alarmo)

Alaska*

1. Alaska (Alasko)

Alaun*

1. aluin (aluno)

Albaner*

1. Albanees, Albaniër (albano)

albanesisch*

1. Albaans, Albanees (albana)

Albanien*

1. Albanië (Albanujo)

Albanier*

1. Albanees, Albaniër (albano)

Albanierin*

1. Albanese (albanino)

albanisch*

1. Albaans, Albanees (albana)

albern*

1. onnozel (naivega)
2. bot, dom, onbenullig, schaapachtig, stom, zwakhoofdig (stulta)

Album*

1. album, gedenkboek (albumo)

Albuminurie*

1. albuminurie (albuminurio)

Alchemie*

1. alchemie, alchimie (alhhemio)

Alchimie*

1. alchemie, alchimie (alhhemio)

Alfenide*

1. alfenide, nieuwzilver (alfenido)

Alge*

1. alge, wier, zeewier (algo)

Algebra*

1. algebra, stelkunde (algebro)

Algerien*

1. Algerië, Algerije (Algherio)

Algerier*

1. Algerijn (algheriano)

algerisch*

1. Algerijns (algheria)

Alibi*

1. alibi (alibio)

Alimente*

1. alimentatie, ondersteuningsgeld, uitkering (alimento)

Alinea*

1. alinea, inspringende regel (alineo)

Alkali*

1. alkali, loogzout (alkalo)

Alkohol*

1. alcohol (alkoholo)

Alkoholismus*

1. alcoholisme, drankmisbruik (alkoholismo)

Alkoven*

1. alkoof (alkovo)

Allah*

1. Allah (Alaho)

alle*

1. al de, alle, allemaal, allen (chiuj)

Allee*

1. dreef, laan (aleo)

Allegorie*

1. allegorie, gelijkenis, zinnebeeld (alegorio)

Allegro*

1. allegro (alegro)

allein*

1. alleen, enkel, maar, pas, slechts, uitsluitend (nur)
2. doch, maar (sed)
3. alleen, enig, louter, verlaten (sola)

alleinig*

1. alleen, enig, louter, verlaten (sola)

allemal*

1. altijd, immer, steeds (chiam)
2. telkens (chiufoje)

allenfalls*

1. in elk geval (chiuokaze)

allenthalben*

1. allerwegen, alom, overal, wijd en zijd (chie)

allerdings*

1. bepaald, ongetwijfeld, vast, wel degelijk, zeker (certe)
2. immers, toch, wel, zeker (ja)

allerhand*

1. allerhande, allerlei, van elke soort (chia)

Allerheiligen*

1. Allerheiligen (Festo de Chiuj Sanktuloj)
2. Allerheiligen (Sanktulara Festo)

allerlei*

1. allerlei (chiuspeca)

allerliebst*

1. bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig (charma)
2. alleraardigst (charmega)

allerorten*

1. allerwegen, alom, overal, wijd en zijd (chie)

Allerseelen*

1. Allerzielen (Tago de la Mortintoj)

allerseits*

1. aan alle kanten (chiuflanke)

alles*

1. allemaal, alles (chio)

allgemein*

1. algemeen, gemeenschappelijk, gezamenlijk (komuna)
2. algemeen, generaal (ghenerala)

Allianz*

1. verbond (interligo)
2. bond, liga, verbond (ligo)

Alligator*

1. alligator (aligatoro)

alljährlich*

1. ieder jaar, jaarlijks (chiujare)

Allmacht*

1. almacht (chiopoveco)
2. almacht (chiopovo)

allmählich*

1. geleidelijk, langzamerhand, zoetjes aan (iom post iom)

Allopathie*

1. allopathie (alopatio)

allseitig*

1. aan alle kanten (chiuflanke)

alltäglich*

1. dagelijks (chiutage)

Alluvium*

1. alluvium (aluvio)

allweg*

1. alleszins, op alle manieren, op alle wijzen (chiel)

allwissend*

1. alwetend (chioscia)

allzeit*

1. altijd, immer, steeds (chiam)

Alm*

1. alp, alpenweide (alpo)

Almanach*

1. almanak (almanako)
2. annaal, jaarboek (jarlibro)

Almosen*

1. aalmoes (almozo)

Aloe*

1. aloë (aloo)

Alpaka*

1. alpaca (alpako)

Alpdrücken*

1. nachtmerrie (inkubsongho)

Alpe*

1. alp, alpenweide (alpo)

Alpen*

1. Alpen (Alpoj)

Alpenrose*

1. rododendron (rododendro)

Alphabet*

1. ABC, alfabet (alfabeto)

Alraun*

1. mandragore (mandragoro)

als*

1. dan (ol)

alsbald*

1. alras, dra, gauw, haast, spoedig, weldra, welhaast (baldau)
2. aanstonds, dadelijk, meteen, op staande voet, schielijk, subiet, zo (tuj)

alsdann*

1. dan, destijds, toen, toenmaals, toentertijd (tiam)

also*

1. daarom, derhalve (tial)

als ob*

1. als, als het ware, of alsof (kvazau)

als Tatsache feststellen*

1. bevinden, constateren, vaststellen (konstati)

alt*

1. bejaard, oud, vergevorderd (maljuna)
2. oud (malnova)

Altan*

1. hoog terras, uitkijkpunt (altano)
2. balkon (balkono)
3. prieel (laubo)
4. terras (teraso)

Altar*

1. altaar (altaro)

Alter*

1. leeftijd, ouderdom (agho)
2. ouderdom (maljuneco)

Alternative*

1. alternatief, keus, keuze (alternativo)

Altersgenosse*

1. leeftijdsgenoot (samaghulo)

Altertum*

1. oudheid (antikveco)

altertümlich*

1. aloud, antiek, ouderwets (antikva)

Altertumskunde*

1. archeologie, oudheidkunde (arhheologio)

altgriechisch*

1. Helleens (helena)

Altist*

1. alt, altist, altzanger (aldisto)

Altstimme*

1. alt, altstem (aldo)
2. tweede alt (kontralto)

Aluminium*

1. aluminium (aluminio)

am*

1. de, het, aan de, aan het, naar de, naar het (al la)

Amalgam*

1. amalgaam, amalgama (amalgamo)

Amateur*

1. amateur, dilettant, knutseaar, liefhebber (amatoro)
2. amateur (nemetiisto)

Amazone*

1. amazone, Amazone, paardrijdster (amazono)
2. amazone (rajdantino)

Ambone*

1. oksaal (ambono)

Ambra*

1. amber (ambro)

Ambrosia*

1. ambrozijn, godenspijs (ambrozio)

Ameise*

1. mier (formiko)

Ameisenbär*

1. miereneter (mirmekofago)

Ameisenhaufen*

1. mierenhoop, mierennest (formikejo)

Ameisenlöwe*

1. mierenleeuw (mirmeleono)

Amel*

1. Amel (Amelo)

amen*

1. amen, het zij zo (amen)

Amerika*

1. Amerika (Ameriko[1])

Amerikaner*

1. Amerikaan (amerikano)
2. Amerikaan (usonano)

Amerikanerin*

1. Amerikaanse (usonanino)

amerikanisch*

1. Amerikaans (amerika)
2. Amerikaans (usona)

Amethyst*

1. amethist (ametisto)

Amianth*

1. amiant, steenvlas (amianto)

am liebsten*

1. bij voorkeur, eer, liefst, liever, veeleer (prefere)

Amme*

1. min, voedster, zoogster (nutristino)

am meisten*

1. hoogst, meest (plej)

Ammer*

1. gors (emberizo)

Ammoniak*

1. ammonia, ammoniak (amoniako)

Ammonium*

1. ammonia (amonio)

Amnestie*

1. amnestie, begenadiging, kwijtschelding van straf (amnestio)

Amor*

1. seksuele hartstocht, verliefdheid (amoro)

amorph*

1. amorf, vormloos (amorfa)

amortisieren*

1. afbetalen, aflossen, afschrijven, amortiseren, delgen, uitdelgen (amortizi)

Ampel*

1. hanglamp (lucerno)

Ampère*

1. ampère (ampero)

Ampfer*

1. zuring, klaverzuring (okzalo)

Amphibie*

1. amfibie (amfibio)

Amphitheater*

1. amfitheater (amfiteatro)

Amphora*

1. amfora, kruik, draagkruik (amforo)

amputieren*

1. afzetten, amputeren, wegsnijden (amputi)

Amsel*

1. gieteling, merel (merlo)

am Sonntag*

1. 's zondags, op een zondag (dimanche)

Amsterdam*

1. Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum (Amsterdamo)

amsterdamer*

1. Amsterdams (amsterdama)

Amt*

1. bureau, bureel, kantoor (oficejo)
2. ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring (ofico)

amtlich*

1. ambtelijk (ofica)
2. ambtelijk, officieel (oficiala)

Amtmann*

1. prefect (prefekto)

Amtsbezirk*

1. arrondissement, district, gouw (distrikto)

Amtsbruder*

1. ambtgenoot, collega (kolego)

Amtsgenosse*

1. ambtgenoot, collega (kolego)

Amtsrichter*

1. kantonrechter, vrederechter (distrikta jughisto)

Amtswürde*

1. eerzaamheid, waardigheid (indeco)
2. graad, rang, stand, status (rango)

Amulett*

1. amulet (amuleto)
2. gelukspop, mascotte, talisman (talismano)

amüsieren*

1. amuseren, onderhouden, opvrolijken, vermaken (amuzi)

an*

1. aan, bij, naar, tegen, tot, voor (al)
2. aan, bij, dichtbij, naast, nabij (apud)
3. jegens, met, tegen, tegenaan, tegenover, versus (kontrau)
4. aan, op (sur)
5. aan, bij, ten huize van (che)

Anachoret*

1. anachoreet, kluizenaar (anakoreto)

Anachronismus*

1. anachronisme, tijdrekeningsfout (anakronismo)

Anagram*

1. anagram, letterkeer (anagramo)

Analogie*

1. analogie, overeenkomst (analogio)

Analphabet*

1. analfabeet (analfabeto)

analysieren*

1. analyseren, ontbinden, ontleden (analizi)

Analytik*

1. analytische meetkunde (analitiko)

Ananas*

1. ananas (ananaso)

Anapäst*

1. anapest (anapesto)

Anarchie*

1. anarchie, regeringloosheid (anarhhio)

Anarchismus*

1. anarchisme (anarhhiismo)

Anatolien*

1. Anatolië, Klein-Azië (Anatolio)

Anatomie*

1. anatomie, ontleedkunde (anatomio)

Anbau*

1. bouw, aanbouw, constructie (konstruado)

anbei*

1. bijgaand, hierbij (chi kune)

anbelangt*

1. aan, aangaande, betreffende, met, over, van (pri)

anbequemen*

1. aanpassen, accommoderen (akomodi)

anberaumen*

1. determineren, nauwkeurig bepalen (determini)

anbeten*

1. aanbidden, adoreren, verafgoden, vereren (adori)

anbetenswert*

1. aanbiddelijk, aanbiddenswaardig (adorinda)

Anbetracht*

1. beraad, overweging (konsidero)

Anblick*

1. aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen (aspekto)
2. gezicht, schouwspel (vidajho)

anbrechen*

1. aanbreken (ekkonsumi)
2. aanbinden, aanvangen, beginnen (komenci)

anbrennen*

1. aanbranden (brulgluighi)

anbringen*

1. aandragen, bezorgen, brengen, aanbrengen (alporti)

Anchovis*

1. ansjovis (anchovo)

Andacht*

1. meditatie, overdenking (meditado)
2. godsdienstige stemming (piegeco)

Anden*

1. Andes, Andesgebergte (Andoj)

Andenken*

1. aandenken, gedachtenis, gedenkteken, souvenir (memorigajho)
2. aandenken, gedachtenis, geheugen, herinnering, heugenis (memoro)

anderer*

1. ander (alia)

ändern*

1. veranderen, vermaken, wisselen (shanghi)

andernfalls*

1. anders (alie)

andernteils*

1. bovendien, daarenboven, overigens, trouwens (aliparte)

anders*

1. ander (alia)
2. anders (alie)

anderseits*

1. aan de andere kant, anderzijds, daar staat tegenover (aliflanke)

anderswo*

1. elders, ergens anders (aliloke)

anderthalb*

1. anderhalf (unu kaj duono)

Änderung*

1. herschepping, vervorming (aliformigo)
2. verandering, wijziging (aliigo)
3. keer, omkeer, verandering, verzetting, wijziging, wisseling (shangho)

andeuten*

1. aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden (indiki)
2. opmerken, opmerkzaam maken, signaleren (rimarkigi)
3. aanduiden, aangeven, een teken geven, merken, kenmerken, tekenen (signi)

Andorra*

1. Andorra (Andoro)

Andrang*

1. aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing (impulso)
2. aandrang (insisto)

Andrift*

1. aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing (impulso)

andringen*

1. aandringen (insisti)

aneignen*

1. toeëigenen (proprigi)

aneinander*

1. aaneen, bijeen, ineen, samen, tezamen (kune)

aneinander-*

1. aaneen, aaneen-, co-, samen, samen- (kun-)

Aneinanderreihung*

1. vereniging (kunigo)
2. aaneenschakeling, opeenvolging, volgorde (sinsekvo)

Anekdote*

1. anekdote (anekdoto)

aneklen*

1. afkeer inboezemen, tegen de borst stuiten, tegenstaan (nauzi)

Anemone*

1. anemoon (anemono)

Anerbieten*

1. aanbieding, aanbod, offerte (oferto)

anerkennen*

1. bekennen, erkennen, toegeven (konfesi[1])

Anfall*

1. aanval, offensief, vlaag (atako)

anfallen*

1. aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen (ataki)

Anfang*

1. aanvang, begin, ontstaan (komencigho)
2. aanhef, aanvang, begin, intrede (komenco)

anfangen*

1. aanbinden, aanvangen, beginnen (komenci)
2. aanbreken, aanvangen, beginnen, ingaan (komencighi)

anfänglich*

1. aanvankelijk (komence)

anfechten*

1. bestrijden, betwisten, protest aantekenen, protesteren (protesti)

anfertigen*

1. fabriceren, maken, aanmaken, vervaardigen (fabriki)
2. maken, aanmaken, bedrijven, doen, uitbrengen, uitrichten, uitvoeren (fari)

anfeuern*

1. aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op (eksciti)
2. drijven, aandrijven, opjagen, voortdrijven (peli)
3. aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen (plivigligi)

Anforderung*

1. eis, vordering (postulo)

anfragen*

1. vragen (demandi)

anführen*

1. aanhalen, citeren, noemen (citi)

Anführungszeichen*

1. aanhalingsteken (citilo)

Angabe*

1. aangifte, betuiging, declaratie, uitspraak, verklaring (deklaro)

angängig*

1. bestaanbaar, mogelijk (ebla)

angeben*

1. aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken (denunci)
2. geven, aangeven, opbrengen, toebrengen, toekennen, verlenen (doni)
3. laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen (montri)
4. aangeven, aanreiken, doorbrenge

Angebinde*

1. cadeau, donatie, geschenk, gift, schenking (donaco)

angeboren*

1. aangeboren, ingeboren (denaska)
2. aangeboren (kunnaskita)

angeheitert*

1. aangeschoten, roezig (duonebria)
2. aangeschoten, beneveld, tipsy (ebrieta)

angehen*

1. aangaan, betreffen, gelden, raken (koncerni)

angehören*

1. behoren, behoren tot, toebehoren (aparteni)

Angel*

1. haak (hoko)

Angelegenheit*

1. aangelegenheid, affaire, ding, zaak (afero)

Angelhaken*

1. angel, vishaak (fishhoko)

Angelleine*

1. sim, snoer, hengelsnoer, vislijn, vissnoer (hokfadeno)

Angelrute*

1. hengel (fishvergo)

Angelsachse*

1. Angelsakser (anglosakso)

angelsächsisch*

1. Angelsaksisch (anglosaksa)

Angelus*

1. angelus (angheluso)

angemessen*

1. adequaat, bijbehorend (adekvata)
2. betamelijk, gepast, geschikt, passend, toepasselijk (konvena)

angenehm*

1. aangenaam, behaaglijk, genoeglijk, heerlijk, plezierig (agrabla)

angenommen*

1. fictief, gefingeerd, verdicht (fiktiva)

Anger*

1. beemd, grasland, wei, weide, weiland (herbejo)

Angesicht*

1. gelaat, gezicht, aangezicht, toet (vizagho)

Angestellte*

1. commies, klerk, schrijver (skribisto)

angestrengt*

1. strak (streche)

angewöhnen*

1. wennen, aanwennen, gewoon maken (kutimigi)

Angewohnheit*

1. gebruik, gewoonte, usance (kutimo)

Angina*

1. angina, keelontsteking (angino)

anglikanisch*

1. anglicaans (anglikana)

anglophil*

1. Engelsgezind (anglamika)

anglotzen*

1. dom kijken, gapen, aangapen (gapi)
2. aangapen (gapi al)

Angola*

1. Angola (Angolo)

angreifen*

1. agaceren, irriteren, prikkelen (agaci)
2. aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen (ataki)
3. bemachtigen, grijpen, aangrijpen, vastgrijpen (ekkapti)

angrenzend*

1. aangrenzend, aanliggend, dichtbijgelegen, dichtbijzijnd (apuda)
2. aangrenzend, aanliggend (limtushanta)
3. aangrenzend, aanliggend, naburig (najbara)

Angriff*

1. aanval, offensief, vlaag (atako)

Angst*

1. angst, beklemming, benauwdheid, grote angst, zielsangst (angoro)
2. beduchtheid, ongerustheid, zorg (maltrankvilo)
3. angst (timego)
4. beduchtheid, vrees (timo)

ängstigen*

1. bang maken, beangstigen, verschrikken, vrees aanjagen (timigi)

anhaken*

1. enteren, haken, aanhaken, vasthaken (alkrochi)
2. haken (krochi)

anhalten*

1. manen, aanmanen, aansporen, vermanen, waarschuwen (admoni)
2. afslaan, blijven staan, halthouden, stilhouden, stilstaan, stoppen (halti)
3. aanhouden, keren, stilleggen, stilzetten, stoppen, stuiten (haltigi)

Anhang*

1. aanhangsel, appendix, bijlage, supplementie, toeslag, toevoeging (aldono)
2. aanhang, leden (anaro)

anhängen*

1. enteren, haken, aanhaken, vasthaken (alkrochi)
2. haken (krochi)
3. hangen, ophangen, opknopen (pendigi)

Anhänger*

1. aanhanger, lid, lidmaat (ano)
2. discipel (dischiplo)
3. aanhanger, lid, partijganger, partijlid (partiano)

anhänglich*

1. aanhankelijk, gehecht, opofferingsgezind, toegenegen (sindona)

Anhängsel*

1. aanhangsel (alpendajho)
2. bijzaak (flankajho)

Anhäufung*

1. agglomeratie, agglomereren, samenklonteren, samenklontering (aglomero)

anhören*

1. aanhoren, luisteren, beluisteren, toehoren, toeluisteren (auskulti)

Anilin*

1. aniline (anilino)

Anis*

1. anijs (anizo)

Ankara*

1. Angora, Ankara (Anguro)

Anker*

1. anker (ankro)

anklagen*

1. aanklagen, beschuldigen, betichten (akuzi)
2. beschuldigen, betichten (kulpigi)

Ankläger*

1. beschuldiger, klager (kulpiganto)

anklammern*

1. haken (krochi)

ankleiden*

1. kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan (vesti)

ankundigen*

1. aankondigen, in kennis stellen, meedelen, mededelen, verwittigen (sciigi)

ankündigen*

1. aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen (anonci)

Ankündigung*

1. aankondiging, advies, bekendmaking (avizo)

Ankunft*

1. komst, aankomst (alveno)

Ankylose*

1. ankylose, gewrichtsstijfheid, gewrichtsvergroeiing (ankilozo)

Anlage*

1. aanplanting (plantado)
2. plant (planto)
3. hof, tuin (ghardeno)

anlangen*

1. aangaan, betreffen, gelden, raken (koncerni)

Anlaß*

1. oorzaak, reden (kauzo)
2. belegging, toedracht (okazigo)
3. bevel, bevelschrift, gebod, order, sommatie, verordening (ordono)

Anlasser*

1. aanzetschakelaar, starter, startinrichting (startigilo)

anläßlich*

1. naar aanleiding van, vanwege, wegens (kauze de)
2. door, in ruil voor, op, op grond van, uit, vanwege, voor, wegens (pro)

Anlauf*

1. aanloop (ekkuro)

anlaufen*

1. het op een lopen zetten (ekkuri)

anlegen*

1. aanzetten, voordoen (almeti)
2. schragen, steunen, stutten, ondersteunen (apogi)

anlehnen*

1. schragen, steunen, stutten, ondersteunen (apogi)

Anleihe*

1. lening, overneming (prunto)

anmaßen*

1. toeëigenen (proprigi)

anmaßend*

1. aanmatigend, arrogant, hautain, laatdunkend, verwaand, verwaten (aroganta)

anmelden*

1. aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen (anonci)

anmerken*

1. aantekenen, noteren, opschrijven, teboekstellen (noti)

Anmut*

1. bekoorlijkheid, bekoring, charme (charmo)

anmuten*

1. zich opdringen (altrudi)
2. bekoren, charmeren (charmi)

anmutig*

1. bekoorlijk, charmant, innemend, schattig, snoeperig, snoezig (charma)

annähernd*

1. circa, een stuk of, ongeveer, plusminus, zowat (proksimume)
2. daaromheen, eromheen, in het rond, ongeveer, rondom (chirkaue)

Annahme*

1. aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating (akcepto)
2. hypothese, onderstelling, veronderstelling (hipotezo)

annehmen*

1. aannemen, aanvaarden, accepteren, erkennen, ontvangen (akcepti)

Annehmlichkeit*

1. iets aangenaams, iets prettigs (agrablajho)
2. aangenaamheid, behaaglijkheid, genoeglijkheid (agrableco)

annektieren*

1. annexeren, inlijven, <iets bijkomstigs toevoegen> (aneksi)

Annonce*

1. aankondiging, advertentie, bericht (anonco)

annullieren*

1. afgelasten, annuleren, ontbinden, tenietdoen, terugnemen (nuligi)

Anomalie*

1. afwijking, anomalie, onregelmatigheid (anomalio)

anonym*

1. anoniem, naamloos, ongenoemd, ongetekend (anonima)

anorden*

1. aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen (aranghi)

anordnen*

1. bevelen, gelasten, sommeren, verordenen, voorschrijven (ordoni)

anormal*

1. abnormaal (nenorma)

anpassen*

1. aanpassen, accommoderen (akomodi)
2. passend maken (alfari)
3. aanmeten, toemeten (almezuri)

anpflanzen*

1. planten, aanplanten, poten (planti)

Anpflanzung*

1. aanplanting (plantado)
2. plant (planto)

anpreisen*

1. lof toezwaaien, loven, prijzen, roemen (laudi)

anrechnen*

1. aanrekenen, rekenen tot (alkalkuli)

anregen*

1. aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op (eksciti)
2. aanporren, aansporen, aanvuren, prikkelen, stimuleren, zwepen (stimuli)

Anregung*

1. opwinding (ekscito)

Anreiz*

1. attractie, trekpleister (allogajho)
2. aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie (stimulo)

anreizen*

1. aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren (inciti)
2. aanporren, aansporen, aanvuren, prikkelen, stimuleren, zwepen (stimuli)

Anreizung*

1. aansporing, prikkel, prikkeling, stimulatie (stimulo)

Anruf*

1. oproep, oproeping, votum (alvoko)

anrufen*

1. aanroepen, oproepen, praaien (alvoki)
2. opbellen, telefoneren (telefoni)
3. opbellen (telefoni al)
4. roepen (voki)

anrühren*

1. aankomen, raken, aanraken, beroeren, toucheren (tushi)

anschaffen*

1. uitreiken, verschaffen, verstrekken (havigi)
2. bevoorraden, provianderen, spekken, stijven, voorzien van (provizi)

anschaulich*

1. duidelijk, helder, klaar, uitgesproken, zuiver (klara)

anschaulig*

1. apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken (evidenta)

Anschauung*

1. opmerking, waarneming (observo)
2. aanschouwing (pririgardo)

Anschein*

1. aanzien, schijn (shajno)

anscheinend*

1. in schijn, naar het schijnt, schijnbaar, ogenschijnlijk (shajne)

Anschlag*

1. aanplakbiljet, affiche, plakkaat, poster (afisho)
2. aanranding, aanslag (atenco)
3. klap, klets, klop, slag, tik, veeg (frapo)

anschlagen*

1. aanslaan, beginnen te blaffen (ekboji)

Anschlagzettel*

1. aanplakbiljet, affiche, plakkaat, poster (afisho)

anschließen*

1. bijvoegen, toevoegen (aligi)
2. berichten, mededelen, meedelen, voortzeggen (komuniki)

Anschluß*

1. aansluiting (kunrespondo)

Anschovis*

1. ansjovis (engraulo)

anschwärzen*

1. belasteren, kwaadspreken, roddelen (kalumnii)
2. zwart maken, zwarten (nigrigi)

ansehen*

1. zien (vidi)

ansehnlich*

1. geliefd, gezien, gezocht (shatata)

Ansicht*

1. beeld, afbeelding, plaat, prent, voorstelling (bildo)
2. image, verzinnelijking (figurajho)
3. gezicht, schouwspel (vidajho)

Ansiedelei*

1. kolonie, nederzetting, volksplanting (kolonio)

ansiedeln*

1. koloniseren (koloniigi)

Ansiedlung*

1. kolonisatie (koloniigo)
2. kolonie, nederzetting, volksplanting (kolonio)

anspannen*

1. spannen, bespannen, inspannen, tuigen, optuigen, voorspannen (jungi)
2. nauwer aanhalen, opwinden, spannen, strekken, uitrekken (strechi)

anspielen*

1. zinspelen (aludi)

anspielen auf*

1. zinspelen (aludi)

Anspielung*

1. toespeling, zinspeling (aludo)

anspornen*

1. aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen (instigi)

Ansprache*

1. aanspraak, toespraak (alparolo)

ansprechen*

1. aanklampen, aanspreken, toespreken (alparoli)

Anspruch*

1. aanspraak, claim, pretentie (pretendo)

Anspruch machen auf*

1. aanspraak maken op, claimen (pretendi)

anspruchslos*

1. bescheiden, discreet, ingetogen, teruggetrokken, zedig (modesta)
2. bescheiden (senpretenda)

anspruchsvoll*

1. aanmatigend, onbescheiden, verwaand (malmodesta)
2. veeleisend (postulema)
3. aanmatigend, arrogant (pretendema)

Anstalt*

1. lokaal, plaats, plek, oord (ejo)
2. gesticht, inrichting, instituut, kostschool (instituto)

Anstand*

1. hinderlaag (embusko)

anständig*

1. degelijk, eerlijk, eerzaam, fatsoenlijk, net (honesta)

anstarren*

1. staren, aanstaren, turen (rigardi fikse)

anstatt*

1. in plaats van, in stede van (anstatau)

anstecken*

1. aansteken, besmetten, infecteren, verpesten (infekti)

Ansteckung*

1. besmetting, infectie (infekto)

anstellen*

1. aan de praat krijgen, aanzetten, op gang brengen (ekfunkciigi)

an Stelle von*

1. in plaats van, in stede van (anstatau)

anstellig*

1. bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig (lerta)

Anstellung*

1. ambt, baan, betrekking, plaats, werkkring (ofico)

anstiften*

1. de stoot geven tot, het initiatief nemen tot (iniciati)

Anstoß*

1. stoot (ekfrapo)
2. affront, belediging, krenking (ofendo)
3. shock (shoko)

anstoßend*

1. aangrenzend, aanliggend, dichtbijgelegen, dichtbijzijnd (apuda)
2. aangrenzend, aanliggend (limtushanta)
3. aangrenzend, aanliggend, naburig (najbara)

Anstoß erregen*

1. aanstoot geven, choqueren, kwetsen (shoki)

anstrengend*

1. inspannend, zwaar (strechanta)

Anstrengung*

1. bemoeienis, geploeter, gesjouw, streven (penado)
2. inspanning, uitrekking (strechado)
3. spanning, inspanning (strecho)

Ansuchen*

1. aanvraag, aanzoek, verzoek, vraag (peto)

antarktisch*

1. antarctisch, zuidpool- (antarkta)

antasten*

1. tasten, betasten, voelen, bevoelen (palpi)

Anteil*

1. deel, gedeelte, onderdeel, Part, stuk (parto)
2. deel, gedeelte, onderdeel, stuk (parto[1])
3. deel, aandeel, portie, rantsoen, taks (porcio)

Anteilschein*

1. aandeel, actie (akcio)

Anthologie*

1. antologie, bloemlezing (antologio)

Anthrazit*

1. antraciet, glanskool (antracito)

Anthropologie*

1. antropologie, mensenkunde (antropologio)

Antichrist*

1. antichrist (antikristo)

antik*

1. aloud, antiek, ouderwets (antikva)

Antillen*

1. Antillen (Antiloj)

Antilope*

1. antilope (antilopo)

Antimon*

1. antimonium (antimono)

Antinomie*

1. tegenspraak, tegenstrijdigheid (antinomio)

Antipathie*

1. afkeer, antipathie, hekel, tegenzin (antipatio)

Antipode*

1. antipode, tegenvoeter (antipodo)

Antipyrin*

1. antipyrine (antipirino)

Antiquar*

1. antiquair (antikvajhisto)

antiseptisch*

1. antiseptisch, bederfwerend (antisepsa)

Antithese*

1. antithese, tegenstelling (antitezo)

antizipieren*

1. anticiperen, prejudiciëren, vooruitlopen, vooruitlopen op (anticipi)

Antlitz*

1. gelaat, gezicht, aangezicht, toet (vizagho)

antreffen*

1. aantreffen, ontmoeten, tegemoet treden, tegenkomen, treffen (renkonti)

antreiben*

1. aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen (instigi)
2. aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, verlevendigen (plivigligi)

antreten*

1. innemen, vermeesteren, zich meester maken van (ekokupi)

Antrieb*

1. aandrift, drang, aandrang, impuls, opwelling, stuwing (impulso)
2. beweegreden, drijfveer, motief, term (motivo)

antun*

1. aandoen, aanrichten, stichten, teweegbrengen, veroorzaken (kauzi)
2. aandoen, aantrekken, opleggen (surmeti)

Antwort*

1. antwoord, bescheid, wederwoord (respondo)

antworten*

1. antwoorden, antwoorden op, beantwoorden, verantwoorden (respondi)

anverwandt*

1. verwant, aanverwant (parenca)

anwachsen*

1. gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen (kreski)

Anwandlung*

1. aanmaning, aanval (ataketo)

Anwartschaft*

1. afwachting (atendado)

anweisen*

1. betekenen, dagen, dagvaarden, voor het gerecht dagen, toewijzen (asigni)
2. aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden (indiki)
3. laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen (montri)

anwenden*

1. aanwenden, doorvoeren, in toepassing brengen, toepassen (apliki)
2. aanwenden, benutten, gebruiken (uzi)

anwerben*

1. aannemen, aanwerven, huren, in dienst nemen, tewerkstellen (dungi)
2. aanbrengen, werven, aanwerven (varbi)

Anwerbung*

1. aanmonstering, acquisitie, werving (varbado)

anwesend*

1. aanwezig, present, tegenwoordig (cheestanta)

anwidern*

1. afkeer inboezemen, tegen de borst stuiten, tegenstaan (nauzi)

Anwohner*

1. aanwonende (apudloghanto)

Anwuchs*

1. aanwas, gestalte, groei, aangroei, ontwikkeling, toename (kresko)
2. vergroting (pligrandigho)
3. aangroei, toename, vermeerdering (plimultigho)

Anzahl*

1. aantal, tal, getal (nombro)

anzapfen*

1. aftappen, opensteken (spili)

Anzeichen*

1. teken, voorbode, voorteken (antausigno)
2. bewijs, blijk, teken, merkteken, wenk (signo)

anzeichnen*

1. aanduiden, aangeven, een teken geven, merken, kenmerken, tekenen (signi)

Anzeige*

1. aankondiging, advertentie, bericht (anonco)
2. aangifte, betuiging, declaratie, uitspraak, verklaring (deklaro)
3. aangifte, aanklacht (denunco)

anzeigen*

1. aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen (anonci)
2. aanbrengen, aangeven, klikken, verklikken (denunci)

anziehen*

1. aanhalen, trekken, aantrekken (altiri)
2. rukken (ektiri)
3. aandoen, aantrekken, opleggen (surmeti)
4. kleden, aankleden, bekleden, omkleden, staan (vesti)

Anziehungskraft*

1. aantrekkingskracht (altira forto)

Anzug*

1. costuum, dracht, gewaad, klederdracht, kostuum, pak (kostumo)
2. gewaad, kledingstuk (vestajho)
3. gewaad, kleding, kleed (vesto)

anzüglich*

1. beledigend, grievend, krenkend (ofenda)

Aorta*

1. aorta, levensslagader, lichaamsslagader (aorto)

Apanage*

1. apanage, jaargeld, toelage (apanagho)

aparte*

1. bijzonder, extra (ekstre)

Apathie*

1. apathie, dofheid, lusteloosheid, wezenloosheid (apatio)

Apenninen*

1. Apennijnen (Apeninoj)

Apfel*

1. appel (pomo)

Apfelbaum*

1. appelboom (pomujo)

Apfelsine*

1. oranje, sinaasappel (orangho)

Apfelwein*

1. appelwijn, cider (cidro)

Aphorismo*

1. aforisme, spreuk, kernspreuk (aforismo)

Aplanat*

1. aplanatisch objectief (aplanato)

Aplomb*

1. aplomb, gewicht, zelfbewustheid, zelfverzekerdheid (aplombo)

Apogäum*

1. apogeum, hoogtepunt, summum, toppunt (apogeo)

Apokalypse*

1. apocalyps, openbaring (apokalipso)

apokryph*

1. apocrief, twijfelachtig (apokrifa)

Apolog*

1. tabel (apologo)

Apologie*

1. apologie, verdediging, verweerschrift (apologio)

Apostel*

1. apostel, voorvechter (apostolo)

Apostroph*

1. afkappingsteken, apostrof, uitlatingsteken, weglatingsteken (apostrofo)

Apotheke*

1. apotheek (apoteko)

Apotheker*

1. apotheker, farmaceut (apotekisto)

Apotheose*

1. apotheose, slotstuk, slottaffereel, verheerlijking (apoteozo)

Apparat*

1. apparaat, hulpmiddelen, inrichting, toestel (aparato)

Appartement*

1. appartement, flat (apartamento)

Appellation*

1. appel, beroep, regres (apelacio)

Appetit*

1. eetlust, graagte, hongerigheid, trek (apetito)

applaudieren*

1. adhesie betuigen, applaudisseren, toejuichen (aplaudi)

Applaus*

1. bijvalsbetuiging (aplaudado)
2. applaus, bijval, bijvalsbetuiging, toejuiching (aplaudo)

Apposition*

1. appositie, bijstelling (apozicio)

Approbation*

1. bijval, fiat, goedkeuring (aprobo)

approbieren*

1. beamen, billijken, goedkeuren, toestemmen (aprobi)

approximativ*

1. benaderend, globaal (proksimuma)

Aprikose*

1. abrikoos (abrikoto)

April*

1. april, grasmaand (aprilo)

Apsis*

1. keerpunt (apsido)

Aquarell*

1. aquarel, waterverfschilderij, waterverftekening (akvarelo)

Aquarium*

1. aquarium (akvario)

Äquator*

1. equator, evenaar, evennachtslijn (ekvatoro)

Äquivalent*

1. equivalent (ekvivalento)

Ära*

1. jaartelling, tijdrekening (erao)

Araber*

1. Arabier (arabo)

Araberin*

1. Arabische (arabino)

Arabeske*

1. arabesk (arabesko)

Arabien*

1. Arabië (Arabujo)

arabisch*

1. Arabisch (araba)

Aräometer*

1. areometer, weegglas (areometro)

Arbeit*

1. arbeid, emplooi, karwei, werk (laboro)
2. karwei, klus, opgave, taak (tasko)

arbeiten*

1. arbeiden, werken (labori)

Arbeiter*

1. werker (laboranto)
2. arbeider, werker, werkman, werkkracht (laboristo)

Arbeitlosigkeit*

1. werkeloosheid, werkloosheid (senlaboreco)

arbeitsam*

1. arbeidzaam, ijverig, nijver, vlijtig, werkzaam (laborema)

Arbeitsbock*

1. bank, bok, ezel, rek, schraag, stander, stellage, werkbank (stablo)

Arbeitszimmer*

1. werkkamer (laborchambro)

Archaismus*

1. archaïsme (arhhaismo)

Archäologie*

1. archeologie, oudheidkunde (arhheologio)

Arche*

1. ark (arkeo)

Archipel*

1. archipel, eilandengroep, eilandenzee (arhhipelago)

Architekt*

1. architect, bouwmeester (arhhitekto)

Architektur*

1. architectuur, bouwkunst (arhhitekturo)

Architrav*

1. architraaf, gevellijst (arhhitravo)

Archiv*

1. archief (arhhivo)

Ardennen*

1. Ardennen (Ardenoj)

Ardennerwald*

1. Ardennen (Ardenoj)

Arel*

1. Aarlen (Arlono)

Arena*

1. arena, kampplaats, krijt, piste, strijdperk (areno)

arg*

1. belangrijk, erg, ernstig, voornaam, zwaar, zwaarwichtig (grava)
2. boos, kwaad, toornig, nijdig, verstoord, vertoornd (kolera)
3. bot, cru, grof, onbehouwen, onbewerkt, rauw, ruig, snauwerig (kruda)
4. grof, hardhandig, lomp, onkies, ru

Argentinien*

1. Argentinië (Argentino)

Argentinier*

1. Argentijn (argentinano)

Argentinierin*

1. Argentijnse (argentinanino)

argentinisch*

1. Argentijns (argentina)

Ärger*

1. korzeligheid (kolereto)
2. leed, smart, verdriet, zorg (chagreno)

ärgern*

1. kwaad maken, op stang jagen, vertoornen (kolerigi)
2. bedroeven, ergeren, grieven, verdriet doen, verdrieten (chagreni)

Ärgernis*

1. aanstoot, ergernis, schandaal (skandalo)

arglistig*

1. boosaardig, hatelijk, kwaadaardig, snood, te kwader trouw, vals (malica)
2. doortrapt, gewiekst, listig, slim, uitgeslapen (ruza)

arglos*

1. argeloos (senmalica)

Argon*

1. argon (argono)

Argument*

1. argument, bewijsgrond (argumento)

argumentieren*

1. argumenteren, betogen, vertogen (argumenti)

Argus*

1. Argo (Argo)
2. Argus (Arguso)

Argwohn*

1. achterdocht, argwaan, verdenking (suspekto)

argwöhnen*

1. verdenken (suspekti)

argwöhnisch*

1. achterdochtig, argwanend (suspektema)

Arie*

1. aria, wijsje (ario)

Arier*

1. Ariër (arjo)

arisch*

1. Arisch (arja)

Aristokrat*

1. aristocraat (aristokrato)

Arithmetik*

1. cijferen, cijferkunst, rekenkunde, rekenkunst (aritmetiko)

Arkade*

1. arcade, zuilengang (arkado)

arktisch*

1. arctisch (arkta)

arm*

1. arm, armelijk, armoedig (malricha)
2. arm, beklagenswaardig, schamel (povra)

Armatur*

1. anker, armatuur (armaturo)

Armband*

1. armband (braceleto)
2. armband (chirkaumano)

Armbrust*

1. boog, handboog, kruisboog, voetboog (arbalesto)

Armee*

1. heerschaar, leger, legermacht, troepenmacht, weermacht (armeo)

Ärmel*

1. mouw (maniko)

Armenien*

1. Armenië (Armenujo)

Armenier*

1. Armeen, Armeniër (armeno)

armenisch*

1. Armeens (armena)

Armleuchter*

1. kandelaber (kandelabro)

armselig*

1. benepen, enghartig, kleingeestig (malgrandanima)

Armut*

1. armoede, gebrek (malricheco)

Arnheim*

1. Arnhem (Arnhejmo)

Arnheimer*

1. Arnhemmer (arnhejmano)

Arnika*

1. arnica, valkruid, wolverlei, wondkruid (arniko)

Aroma*

1. aroma, geur (aromo)

Äroplan*

1. vliegmachine, vliegtuig (aeroplano)

Ärostat*

1. ballon, luchtballon (aerostato)

Arpeggio*

1. arpeggio (arpegho)

Arrak*

1. arak, rijstbrandewijn (arako)

arrangieren*

1. aanrichten, arrangeren, ordenen, regelen, terechtbrengen (aranghi)

Arrest*

1. aanhouding, arrest, arrestatie, hechtenis (aresto)

Arrestant*

1. arrestant (arestito)

arretieren*

1. aanhouden, arresteren, inrekenen, in verzekerde bewaring nemen (aresti)

Arrowroot*

1. arrowroot, pijlwortel (aroruto)

Arsch*

1. achterste, bips, gat, kont, staartstuk, zitvlak (postajho)

Arschin*

1. arsjin (arshino)

Arsen*

1. arseen, arsenicum (arseno)

Arsenal*

1. arsenaal, tuighuis, wapenkamer, wapenmagazijn (arsenalo)

Arsenik*

1. arsenicum, rattenkruid (arseniko)

Art*

1. eigenschap (eco)
2. manier, trant, wijze (maniero)
3. aard, slag, soort (speco)

Arterie*

1. arterie, slagader (arterio)

artesisch*

1. artesisch (arteza)

artig*

1. beleefd, galant, heus, hoffelijk, welgemanierd, wellevend (ghentila)

Artigkeit*

1. galanterieën, kramerij, opschik (galanterio)

Artikel*

1. artikel, handelsartikel (artiklo)
2. artikel, bijdrage, opstel, stuk, verhandeling (artikolo[1])

artikulieren*

1. articuleren, <door een mechanisme verbinden> (artiki)
2. articuleren, <door een mechanisme verbinden> (artikigi)

Artillerie*

1. artillerie, geschut (artilerio)

Artischocke*

1. artisjok (artishoko)

Artist*

1. artiest, kunstenaar (artisto)

Aruba*

1. Aruba (Arubo)

Arzneitrank*

1. kruidendrank, kruidenthee (tizano)

Arzt*

1. arts, dokter, geneesheer, medicus (kuracisto)

As*

1. aas (aso)

Asbest*

1. asbest (asbesto)

Asche*

1. as (cindro)

Aschenbecher*

1. asbak, asla (cindrujo)

Aschenbrödel*

1. Assepoester (Cindrulino)

Aschermittwoch*

1. Aswoensdag (Cindromerkredo)

äschern*

1. verassen, verbranden (cindrigi)

Aserbaidschan*

1. Azerbaidzjan (Azerujo)

Aserbaidschaner*

1. Azerbaidzjaan, Azeri (azero)

aserbaidschanisch*

1. Azerbaidzjaans (azera)

Asiat*

1. Aziaat (aziano)

asiatisch*

1. Aziatisch (azia)

Asien*

1. Azië (Azio)

Askese*

1. ascese, onthechting (asketismo)

Asket*

1. asceet (asketo)

asklepiadischer Vers*

1. asclepiade, asclepias (asklepiado)

Asphalt*

1. asfalt (asfalto)

Aspirant*

1. gegadigde, pretendent, sollicitant (aspiranto)

Assekuranz*

1. assurantie, verzekering (asekuro)

Assessor*

1. assessor, bijzitter (asesoro)

assignieren*

1. betekenen, dagen, dagvaarden, voor het gerecht dagen, toewijzen (asigni)

assimilieren*

1. assimileren, in zich opnemen (asimili)

Assistent*

1. assistent, famulus, helper, hulp (asistanto)

assistieren*

1. assisteren, bijstaan, helpen, ter zijde staan (asisti)

Association*

1. genootschap, gezelschap, krans, kring, sociëteit, vereniging (societo)

Assonanz*

1. assonantie, halfrijm (asonanco)

Assoziation*

1. associatie, bond, genootschap, maatschappij, vereniging (asocio)

Assyrer*

1. Assyriër (asiro)

Assyrien*

1. Assyrië (Asirujo)

assyrisch*

1. Assyrisch (asira)

Ast*

1. tak, aftakking (brancho)

Aster*

1. aster (astero)

Asteroide*

1. asteroïde (asteroido)

Ästhetik*

1. esthetica, schoonheidsleer (estetiko)

Asthma*

1. aamborstigheid, astma (astmo)

Astigmatismus*

1. astigmatisme (astigmatismo)

Astrachan*

1. astrakan (astrakano)

Astrologie*

1. astrologie, sterrenwichelarij (astrologio)

Astronom*

1. astronoom, sterrenkundige (astronomiisto)

Astronomie*

1. astronomie, sterrenkunde (astronomio)

Asturien*

1. Asturië (Asturujo)

Asyl*

1. asiel, toevluchtsoort, vrijplaats (azilo)
2. heenkomen, schuilplaats, toeverlaat, toevlucht, toevluchtsoord (rifughejo)

Ataman*

1. hetman, kozakkenhoofdman (hetmano)

Atelier*

1. atelier, werkplaats (laborejo)
2. werkplaats (metiejo)

Atem*

1. adem (spiro)

Atheismus*

1. atheïsme, godloochenarij, godloochening (ateismo)

Atheïsmus*

1. atheïsme, godloochenarij, godloochening (ateismo)

Atheist*

1. atheïst, godloochenaar (ateisto)

Athen*

1. Athene (Ateno[2])

Athene*

1. Athene (Ateno[1])

Athener*

1. Athener (atenano)

athenisch*

1. Atheens (atena)

Äther*

1. ether (etero)

Äthiopien*

1. Ethiopië (Etiopujo)

äthiopisch*

1. Ethiopisch (etiopa)

Athlet*

1. atleet (atleto)

Athrophie*

1. atrofie, verschrompeling (atrofio)

Ätiologie*

1. studie van ziekteoorzaken (etiologio)

Atlantik-*

1. Atlantisch, van Atlantis (atlanta)
2. Atlantisch (atlantika)

Atlantischer Ozean*

1. Atlantische Oceaan (Atlantiko)

Atlas*

1. Atlas (Atlaso)
2. atlas, kaartenboek (atlaso[1])

atmen*

1. ademen, ademhalen (spiri)

Atmosphäre*

1. dampkring, lucht, sfeer, atmosfeer (atmosfero)

Atmung*

1. ademhaling (spirado)

Atom*

1. atoom (atomo)

Atomismus*

1. atomisme (atomismo)

Atonie*

1. orgaanzwakte, verzwakking (atonio)

Atout*

1. troef (atuto)

Atropin*

1. atropine (atropino)

Attaché*

1. attaché (atasheo)

Attentat*

1. aanranding, aanslag (atenco)

Attest*

1. akte, attest, certificaat, getuigenis, getuigschrift, testimonium (atesto)

Attribut*

1. attribuut, bijvoeglijke bepaling, kenmerkende eigenschap (atributo)

ätzen*

1. cauteriseren, inbranden, toeschroeien, uitbranden (kauterizi)

Ätzung*

1. foerage, voeder, voer (furagho)
2. kost, voeder, voeding, voedingsmiddel, voedsel, voer (nutrajho)

auch*

1. eveneens, evenzeer, mede, ook (ankau)

auch immer*

1. dan ook, ook maar (ajn)

auch nur*

1. dan ook, ook maar (ajn)

audauern*

1. doorbijten, doorzetten, voet bij stuk houden, volharden, volhouden (persisti)

Audienz*

1. audiëntie (audienco)

Auditorium*

1. auditorium, aula, gehoorzaal (auditorio)

Aue*

1. beemd, grasland, wei, weide, weiland (herbejo)

Auerhahn*

1. auerhoen, berghoen (urogalo)

Auerochs*

1. oeros (uro)

auf*

1. aan, op (sur)

auf-*

1. <voorvoegsel dat begin en korstondigheid aanduidt> (ek-)

aufbauen*

1. aanleggen, bouwen, construeren (konstrui)

aufbewahren*

1. behouden, bergen, bewaren, conserveren, onderhouden, overhouden (konservi)

aufbieten*

1. afkondigen, openbaar maken, publiceren, ruchtbaar maken (publikigi)

aufbrechen*

1. breken, afbreken, doorbreken, schenden, stukbreken, verbreken (rompi)

aufdrängen*

1. forceren, opdringen (trudi)

aufdringen*

1. forceren, opdringen (trudi)

aufdringlich*

1. opdringerig (trudema)

Aufenthalt*

1. hapering (haltado)
2. oponthoud, verblijf (restado)

auferlegen*

1. dicteren (dikti)

Auferstehung*

1. herleving, herrijzenis, opleving, wederopstanding (revivigho)

aufessen*

1. opeten, verorberen (formanghi)

auffallen*

1. opvallen (frapi la okulojn)

auffällig*

1. sprekend, treffend (frapanta)

auffassen*

1. gewaar worden, merken, bemerken, vernemen, waarnemen (percepti)

Auffassung*

1. benul, besef, inzicht, verstand (kompreno)
2. aandoening, gewaarwording, waarneming (percepto)

Aufführung*

1. gedrag, houding, wandel (konduto)
2. spel (ludo)
3. aanbieding (prezento)

Aufgabe*

1. karwei, klus, opgave, taak (tasko)

Aufgang*

1. opgaande lijn, opgang, stijging (supreniro)

aufgebracht sein*

1. verontwaardigd zijn, zich ergeren, zich verontwaardigen (indigni)

aufgehen*

1. opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen (levighi)
2. opengaan, openvallen (malfermighi)

Aufgeld*

1. agio, opgeld (aghio)

aufgeweckt*

1. druk, levendig, kras, kwiek, opgewekt, rap, tierig, vief, wakker (vigla)

aufgießen*

1. aftrekken, laten trekken, zetten (infuzi)

aufhalten*

1. afhouden, onthouden, onttrekken, weghouden (deteni)
2. vertragen (malakceli)
3. houden, bijhouden, vasthouden (teni)

aufhängen*

1. hangen, ophangen, opknopen (pendigi)

aufheben*

1. beuren, heffen, ophalen, oprichten, tillen, verheffen (levi)
2. tenietdoen, vernietigen (neniigi)

aufheitern*

1. opkikkeren, opmonteren, opvrolijken (gajigi)

aufhellen*

1. verlichten (heligi)

aufhetzen*

1. aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren (inciti)
2. aansporen, aanvuren, aanwakkeren, opwekken, zwepen (instigi)

aufhören*

1. aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken (chesi)
2. langzamerhand ophouden (chesighi)

auf jede Weise*

1. alleszins, op alle manieren, op alle wijzen (chiel)

auf keiner Weise*

1. geenszins, in geen geval, op geen enkele wijze (neniel)

Aufklärung*

1. beschaving (civilizacio)
2. rekenschap, uitduiding, verklaring (klarigo)

aufkochen*

1. aan de kook raken (ekboli)

aufladen*

1. laden, beladen, belasten, inladen (sharghi)

Auflage*

1. druk, editie, uitgaaf, uitgave (eldono)

auflauern*

1. belagen (insidi)

auflösen*

1. analyseren, ontbinden, ontleden (analizi)
2. oplossen (solvi[1])

Auflösung*

1. oplossing (solvajho)
2. oplossing, uitkomst (solvo)

aufmachen*

1. opendoen, openen, openmaken (malfermi)

aufmerksam*

1. aandachtig, attent, oplettend (atenta)

Aufmerksamkeit*

1. aandacht, acht, attentie, oplettendheid (atento)

aufmessen*

1. meten, afmeten, opmeten, opnemen, roeien, uitmeten (mezuri)

aufmuntern*

1. animeren, opkikkeren, opmonteren, verlevendigen (vigligi)

Aufnahme*

1. aanvaarding, aanneming, onthaal, ontvangst, opname, toelating (akcepto)

aufnötigen*

1. forceren, opdringen (trudi)

Aufopferung*

1. abnegatie, versterving, zelfverloochening (abnegacio)

aufpassen*

1. acht slaan op, letten op, opletten, oppassen, passen op (atenti)

aufputzen*

1. decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren (ornami)

aufrecht*

1. direct, live, recht, rechtstreeks (rekta)
2. direct, overeind, rechtop (rekte)

aufregen*

1. aanwakkeren, opwinden, prikkelen, verhitten, werken op (eksciti)

aufreizen*

1. aanstoken, irriteren, ophitsen, op stang jagen, prikkelen, sarren (inciti)

aufrichten*

1. neerzetten, oprichten, opslaan, vestigen (starigi)

aufrichtig*

1. innig, ongeveinsd, oprecht, rondborstig, trouwhartig, zuiver (sincera)

Aufrichtigkeit*

1. openhartigheid, oprechtheid, rondborstigheid, trouwhartigheid (sincereco)

Aufruhr*

1. muiterij, onlusten, opstand (ribelo)
2. getier, herrie, rel, roerigheid, rustverstoring, spektakel, tumult (tumulto)

Aufrührer*

1. muiter, oproerling, rebel (ribelanto)
2. rustverstoorder, spektakelmaker (tumultanto)

aufrührerisch*

1. oproerig, opstandig (ribelema)
2. baldadig (tumultema)

aufsaugen*

1. opslorpen, resorberen, slurpen, opslurpen (sorbi)

aufschieben*

1. aanhouden, uitstellen, verdagen, verschuiven (prokrasti)

aufschlagen*

1. neerzetten, oprichten, opslaan, vestigen (starigi)

aufschließen*

1. ontsluiten (malshlosi)

Aufschluß*

1. rekenschap, uitduiding, verklaring (klarigo)

aufschreiben*

1. aantekenen, noteren, opschrijven, teboekstellen (noti)

Aufschrift*

1. inschrift, inscriptie, opschrift (epigrafo)

Aufschub*

1. oponthoud, opschorting, uitstel, verdaging, verlating, verlet (prokrasto)

Aufschürfung der Haut*

1. ontvelling (ekskoriacio)

Aufsehen*

1. herrie, lawaai, leven, ophef, rumoer (bruo)
2. bevreemding, verbaasdheid, verwondering (miro)

Aufseher*

1. conducteur, conductor (konduktoro)

Aufsicht*

1. inachtneming, naleving, observatie, waarneming (observado)

Aufsichtsbeamter*

1. inspecteur (inspektoro)

Aufstand*

1. muiterij, onlusten, opstand (ribelo)
2. getier, herrie, rel, roerigheid, rustverstoring, spektakel, tumult (tumulto)

aufstapeln*

1. opeenhopen, ophopen, stapelen, opstapelen, opeenstapelen, tassen (amasigi)

aufstehen*

1. gaan staan, opstaan (ekstari)
2. gaan staan, opstaan, zich voordoen (starighi)

aufstoßen*

1. boeren, oprispen (rukti)

aufsuchen*

1. snorren, uitkijken naar, uitzien naar, zoeken, opzoeken (serchi)

auftakeln*

1. optakelen, tuigen, optuigen (rigi)

auftauen*

1. dooien, ontdooien, wegsmelten (degeli)

Auftrag*

1. boodschap, commissie, opdracht (komisio)
2. lastbrief, mandaat, volmacht (mandato)
3. aanvraag, bestelling, order (mendo)

auftragen*

1. aankaarten, opdienen, serveren (surtabligi)

aufwachen*

1. ontwaken, wakker worden (vekighi)

Aufwand*

1. besteding, uitgaaf, vertering (elspezo)
2. lux, luxe, pracht, weelde, weelderigheid (lukso)

aufwärts*

1. naar boven, omhoog, op, opwaarts (supren)

Aufwasch*

1. vaat (lavpurigenda manghilaro)

aufwaschen*

1. afwassen (lavpurigi la manghilaron)

aufwecken*

1. wakker maken, wekken, opwekken (veki)

auf Wiedersehen*

1. adieu, vaarwel (adiau)

aufwiegen*

1. lonen, waard zijn (valori)

Aufwiegler*

1. activist, agitator, onruststoker, ophitser, twiststoker (agitanto)

aufzählen*

1. uitrekenen (elkalkuli)
2. tellen, aftellen, neertellen (nombri)

aufzehren*

1. opeten, verorberen (formanghi)
2. consumeren, slopen, verbruiken, verorberen, verteren (konsumi)

aufzeichnen*

1. aantekenen, noteren, opschrijven, teboekstellen (noti)

aufziehen*

1. dresseren, grootbrengen, kweken, opleiden, opvoeden (eduki)
2. nauwer aanhalen, opwinden, spannen, strekken, uitrekken (strechi)

Aufzug*

1. elevator, goederenlift (elevatoro)
2. lift (lifto)

Auge*

1. kijker, oog (okulo)

äugeln*

1. enten, oculeren (okuli)

Augenarzt*

1. oogarts (okulisto)

Augenblick*

1. moment, ogenblik, oogwenk, tel, tijdstip, wijl, wip (momento)

Augenbraue*

1. wenkbrauw (brovo)

Augengläser*

1. bril (okulvitroj)

Augenlid*

1. ooglid (palpebro)

Augenschein*

1. aanzien, schijn (shajno)

augenscheinlich*

1. apert, duidelijk, evident, kennelijk, klaarblijkelijk, uitgesproken (evidenta)
2. zichtbaar, zienlijk (videbla)

Augenstar*

1. grote waterval, staar (katarakto)

Augenwimper*

1. ooghaar, wimper (okulharo)

Augenwink*

1. knipoogje (okulsigno)

Augias*

1. Augias (Augio)

Augiasstall*

1. Augiasstal (augia stalo)

August*

1. August, Augustus (Augusto)
2. augustus, oogstmaand (augusto)

Auktion*

1. afslag, auctie, mijn, veiling, vendu, vendutie, verkoping (aukcio)

Aula*

1. salon, zaal (salono)

Aureole*

1. aureool, heiligenkrans, nimbus, stralenkrans (aureolo)

Aurikel*

1. aurikel, bereoor, zeeschelp (aurikulo)

Aurora*

1. Aurora (Auroro)

aus*

1. op de, uit, van (el)

ausarbeiten*

1. afwerken, uitwerken (ellabori)

ausarten*

1. degenereren, ontaarden, verbasteren, verworden, zinken (degeneri)

ausbessern*

1. boeten, flikken, lappen, oplappen, stoppen, verstellen (fliki)
2. verbeteren, veredelen (plibonigi)

ausbeuten*

1. exploiteren, uitbuiten, uitmelken (ekspluati)
2. misbruiken, misbruik maken van (trouzi)

ausbilden*

1. verbeteren, volmaken, vervolmaken (perfektigi)

ausbreiten*

1. afgeven, verbreiden, verspreiden (disvastigi)
2. ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken (etendi)

Ausbreitung*

1. diffusie, verspreiding (difuzo)

Ausbruch*

1. uitbarsting, uitslag (erupcio)

ausbrüten*

1. uitbroeden (elkovi)

auschneiden*

1. decolleteren (dekolti)

Ausdauer*

1. vasthoudenheid (persisteco)

ausdauernd*

1. volhardend (persista)

Ausdehnung*

1. bestek, grootte, omvang, uitgebreidheid (amplekso)
2. uitzetting (dilatigho)
3. afmeting, dimensie (dimensio)
4. expansie, uitzetting (ekspansio)
5. ruimheid, uitgebreidheid, uitgestrektheid, wijdte (vasteco)

aus dem Kopfe*

1. uit het hoofd, van buiten (parkere)

ausdenken*

1. bedenken, bekokstoven, uitdenken, uitkienen, verzinnen (elpensi)

aus der Mode sein*

1. uit de mode zijn (esti eksmoda)

Ausdruck*

1. betuiging, bewoording, gezegde, uitdrukking, uiting, zegswijze (esprimo)
2. term, vakterm (termino)

ausdrücken*

1. betuigen, opperen, uitdrukken, uiten, uitspreken, verwoorden (esprimi)

ausdrücklich*

1. snel, speciaal (ekspresa)
2. duidelijk, helder, klaar (klare)
3. bepaald, beslist, per se, strikt, volstrekt, vooral, zeker (nepre)
4. in het bijzonder, inzonderheid, speciaal, vooral (speciale)

Ausdünstung*

1. damp, uitwaseming (haladzo)

auseinander-*

1. uiteen-, uitelkaar- (dis-)

auseinandergehen*

1. scheiden, uiteengaan, vaneengaan, zich verspreiden (disiri)
2. divergeren, uiteenlopen (diverghi)

auseinanderlaufen*

1. divergeren (malkonverghi)

ausersehen*

1. bestemmen, uittrekken (destini)

ausfallen*

1. aangrijpen, aantasten, aanvallen, tackelen (ataki)
2. uitvallen (elfali)

ausfließen*

1. overvloeien, uitstromen (elflui)

Ausflucht*

1. foefje, kneep, kunstgreep, streek, stunt, toer, truc (artifiko)
2. uitvlucht, uitweg (elturnajho)
3. draaierij, smoes, smoesje, toevlucht (elturnigho)
4. dekmantel, draaierij, smoes, smoesje, voorwendsel (preteksto)

Ausflug*

1. excursie, tocht, toer, trip, uitstapje (ekskurso)

ausforschen*

1. exploreren, nagaan, onderzoeken, uitvissen, uitzoeken, vorsen (esplori)

Ausfuhr*

1. export, uitvoer (eksporto)

ausführbar*

1. doenlijk, haalbaar, uitvoerbaar (efektivigebla)

ausführen*

1. bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken (efektivigi)
2. exporteren, uitvoeren (eksporti)
3. nakomen, naleven, uitvoeren, verrichten, vervullen, voltrekken (plenumi)

ausführlich*

1. ampel, gedetailleerd, in het klein, omstandig, uitvoerig (detala)
2. rijpelijk (detale)

Ausführung*

1. inlossing, naleving, uitvoering, vervulling, voltrekking (plenumo)

ausfüllen*

1. dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken (plenigi)

Ausgabe*

1. druk, editie, uitgaaf, uitgave (eldono)
2. besteding, uitgaaf, vertering (elspezo)

Ausgang*

1. afrit, uitgang, uitweg (elirejo)

ausgedehnt*

1. breedvoerig, groot, royaal, ruim, uitgebreid, uitgestrekt, wijd (vasta)

ausgeglichen*

1. kiet, quitte (kvita)

ausgehen*

1. uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden (eliri)

ausgelassen*

1. oneerbaar, onkuis, ontuchtig, onzedelijk (malchasta)
2. dartel, olijk, ondeugend, schalks, schelms (petola)

Ausgelassenheit*

1. uitbundigheid, uitgelatenheid (gajegeco)

ausgenommen*

1. behalve, bij uitzondering, buiten, op ... na, uitgezonderd (escepte)
2. behalve, buiten, ongerekend (krom)

ausgewachsen*

1. groot, volgroeid, volwassen (plenkreska)

ausgezeichnet*

1. excellent, kostelijk, tiptop, tof, uitmuntend, voortreffelijk (bonega)
2. karakteristiek, zich onderscheidend (distinga)

ausgiebig*

1. gefortuneerd, rijk, vermogend (richa)

ausgießen*

1. leeggieten, uitgieten, uitschenken, uitstorten (elvershi)

Ausgleich*

1. effening (ebenigo)
2. gelijkmaking (egaligo)

ausgleichen*

1. compenseren, goedmaken, vergoeden (kompensi)

ausgraben*

1. opgraven, rooien (elterigi)

Ausguß*

1. goot, watergoot (defluilo)
2. uitstorting (elversho)

aushalten*

1. dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen (elporti)
2. doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen (elteni)
3. doorbijten, doorzetten, voet bij stuk houden, volharden, volhouden (persisti)
4. doorstaan, lijde

aushändigen*

1. aangeven, aanreiken, afdragen, overbrengen, overgeven, toereiken (transdoni)

aus ... heraus*

1. op de, uit, van (el)

aushorchen*

1. aanhoren, luisteren, beluisteren, toehoren, toeluisteren (auskulti)

aus irgend einem Grunde*

1. om de een of andere reden (ial)

ausjäten*

1. schoffelen, wieden (sarki)

aus jedem Grunde*

1. om alle redenen, overal om (chial)

auskehlen*

1. canneleren, groeven (kaneli)

aus keinem Grunde*

1. nergens om, om geen enkele reden, zomaar, zonder reden (nenial)

auskommen*

1. uitkomen (elveni)

auskömmlich*

1. genoeg, voldoende (suficha)

Auskunft*

1. bericht, informatie, inlichting, terechtwijzing, verwittiging (informo)
2. bekendmaking, bericht, kennisgeving, mare, tijding, verwittiging (sciigo)

Auskunft geben*

1. berichten, informeren, inlichten, verwittigen, voorlichten (informi)

Auskunftstelle*

1. informatiebureau (informejo)

ausladen*

1. afladen, lossen, uitladen (malsharghi)

Auslage*

1. besteding, uitgaaf, vertering (elspezo)

Ausland*

1. buitenland (eksterlando)

Ausländer*

1. buitenlander (eksterlandano)

ausländisch*

1. buitenlands, onwennig, vreemd (fremda)

auslassen*

1. loslaten, lossen, tappen, uitlaten, vieren, weglaten (ellasi)

ausleeren*

1. ledigen, legen, lenzen, lichten, ruimen, uithalen (malplenigi)

auslegen*

1. blootstellen, etaleren, uitbrengen, uitstallen (elmeti)
2. besteden, spanderen, spenderen, uitgeven, verteren (elspezi)
3. duiden, interpreteren, uitleggen, verklaren, vertolken (interpreti)

Auslegung*

1. bijbeluitleg, exegese, tekstverklaring, uitlegging (ekzegezo)

Auslese*

1. keur, keus, keuze, optie, verkiezing (elekto)

auslesen*

1. kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken (elekti)

auslöschen*

1. blussen, doven, uitblussen, uitdoen, uitdoven, uitmaken (estingi)
2. doven, uitgaan, uitdoven, uitsterven (estingighi)

ausmerzen*

1. afslaan, afwijzen, nee zeggen tegen, verwerpen, weigeren, wraken (malakcepti)

Ausnahme*

1. uitzondering (escepto)

ausnahmsweise*

1. bij uitzondering (esceptokaze)

ausnehmen*

1. uitzonderen (escepti)

ausnutzen*

1. exploiteren, uitbuiten, uitmelken (ekspluati)

auspacken*

1. uitpakken (elpaki)

Ausperrung*

1. boycot (bojkoto)

ausposaunen*

1. bluffen, opscheppen, pochen, snoeven, snorken, stoffen, zwetsen (fanfaroni)

aus Prinzip*

1. in beginsel, in principe (principe)

ausputzen*

1. decoreren, sieren, opsieren, tooien, uitdossen, versieren (ornami)

ausrechnen*

1. uitrekenen (elkalkuli)

ausrecken*

1. ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken (etendi)

Ausrede*

1. draaierij, smoes, smoesje, toevlucht (elturnigho)

ausreichen*

1. toereiken, toereikend zijn, voldoende zijn, voldoen, volstaan (sufichi)

ausreißen*

1. ontwortelen (elradikigi)
2. drossen, weglopen, wegrennen, zich uit de voeten maken (forkuri)

ausrichten*

1. bewerkstelligen, doorvoeren, tot stand brengen, verwezenlijken (efektivigi)

ausrotten*

1. uitroeien, verdelgen (ekstermi)

ausrücken*

1. uitgaan, uitkomen, uitlopen, uitstappen, uitstijgen, uittreden (eliri)

ausrufen*

1. een kreet slaken, uitkermen, uitkraaien, uitroepen (ekkrii)
2. afkondigen, proclameren, uitvaardigen, verkondigen (proklami)

ausrüsten*

1. toerusten, uitrusten, uitvoeren (ekipi)
2. optakelen, tuigen, optuigen (rigi)

Aussaat*

1. zaaiing (semado)

Aussage*

1. uitlating (eldiro)

Aussatz*

1. lepra, melaatsheid (lepro)

aussaugen*

1. uitzuigen (elsuchi)

ausschalten*

1. afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken (elimini)

ausschauen nach*

1. snorren, uitkijken naar, uitzien naar, zoeken, opzoeken (serchi)

ausschlagen*

1. afkeuren, afwijzen, het verdommen, terugwijzen, vertikken, weigeren (rifuzi)
2. kiemen, ontkiemen (ghermi)

ausschließen*

1. excommuniceren, in de ban doen (ekskomuniki)
2. ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten (eligi)
3. uitzonderen (escepti)

ausschließlich*

1. exclusief, uitsluitend (ekskluzive)

Ausschmückung*

1. opsmuk, ornament, sieraad, tooi, versiering (ornamo)

ausschreiten*

1. naar buiten komen, optreden, stelling nemen, uitkomen (elpashi)
2. schrijden (pashegi)

Ausschreitung*

1. buitensporigheid, exces, overdaad, uitspatting, uitwas (eksceso)

Ausschuß*

1. afval, bocht, rommel (forjhetajho)
2. comité (komitato)

ausschütten*

1. rondstrooien, uitstrooien, verstrooien (disshuti)

ausschweifend*

1. liederlijk, losbandig (dibocha)

ausschweifend leben*

1. aan de rol zijn, brassen, boemelen, slempen, uitspatten, zwijnen (dibochi)

Aussehen*

1. aanblik, aanzien, air, schijn, uiterlijk, verschijning, voorkomen (aspekto)
2. air, gelaatsuitdrukking, gezicht, uiterlijk, uitzicht (mieno)
3. zicht, gezicht, gezichtsvermogen (vido)
4. aanzien, schijn (shajno)

Außenlinie*

1. omlijning, omtrek (konturo)

außer*

1. buiten (ekster)
2. behalve, buiten, ongerekend (krom)

außerdem*

1. overigens, trouwens, verder, voor de rest (cetere)
2. bovendien, buitendien, daarbij (krom tio)
3. alsmede, daarenboven, op de koop toe, voorts (plie)

Äußere*

1. aanblik, aanschijn, buitenkant, uiterlijk (eksterajho)
2. air, gelaatsuitdrukking, gezicht, uiterlijk, uitzicht (mieno)

außerhalb*

1. buiten (ekster)

äußerlich*

1. buiten, daarbuiten, uiterlijk (ekstere)

außerordentlich*

1. bijzonder, buitengewoon (eksterordinara)
2. bijzonder, danig, duchtig, geducht, schromelijk (treege)

äußerster*

1. bovenmatig, ergst, extreem, uiterst, ultra (ekstrema)

Äußerung*

1. woord, zeggen (diro)
2. betuiging, bewoording, gezegde, uitdrukking, uiting, zegswijze (esprimo)
3. dunk, gedachte, mening, opinie, visie, zienswijze, zin (opinio)

außer Verbindung setzen*

1. afzonderen, isoleren (izoli)

aussetzen*

1. blootstellen, etaleren, uitbrengen, uitstallen (elmeti)
2. met tussenpozen werken (intermiti)

Aussicht*

1. uitzicht (elvido)
2. panorama, uitzicht, vergezicht (panoramo)
3. doorkijk, perspectief, prospect, verschiet, vooruitzicht (perspektivo)

Aussichtsplatz*

1. belvédère, uitkijktoren, uitzichttoren (belvedero)

aussöhnen*

1. verzoenen (repacigi)

aussondern*

1. ontlokken, slaken, uitbrengen, uithalen, uitdrijven, uiten (eligi)

ausspannen*

1. uitspannen (maljungi)
2. nauwer aanhalen, opwinden, spannen, strekken, uitrekken (strechi)

ausspeien*

1. spugen, spuwen (sputi)

Aussprache*

1. uitspraak (elparolado)
2. uitspraak (elparolo)
3. uitspraak (prononcado)
4. uitspraak (prononco)

aussprechen*

1. uitspreken (elparoli)

Ausstand*

1. betalingsachterstand (nepagitajho)
2. schuld (shuldo)

ausstatten*

1. begiftigen, meegeven (doti)
2. bevoorraden, provianderen, spekken, stijven, voorzien van (provizi)

ausstehen*

1. doorstaan, dulden, harden, uithouden, uitstaan, verdragen (elteni)

aussteigen*

1. uitstappen (elautighi)
2. uitstappen (elvagonighi)

ausstellen*

1. blootstellen, etaleren, uitbrengen, uitstallen (elmeti)

Ausstellung*

1. expositie, tentoonstelling (ekspozicio)

ausstopfen*

1. opzetten (pajloshtopi)

ausstoßen*

1. afvoeren, elimineren, uitschakelen, verwijderen, wegwerken (elimini)
2. naar buiten jagen, uitdrijven, uitjagen, uitwijzen, verbannen (elpeli)
3. uitstoten, wegstoten (elpushi)

ausstrahlen*

1. stralen, uitstralen (radii)

ausstrecken*

1. ophouden, rekken, strekken, uitbreiden, uitsteken, uitstrekken (etendi)

aussuchen*

1. opzoeken (elserchi)

austauschen*

1. ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen (intershanghi)

austeilen*

1. ronddelen, rondgeven, uitdelen, uitreiken, verdelen (disdoni)
2. distribueren, rondbrengen, verdelen (distribui)

Auster*

1. oester (ostro)

austilgen*

1. uitroeien, verdelgen (ekstermi)

Austrag*

1. beslissing, besluit, uitspraak, wijzing (decido)

austragen*

1. dragen, naar buiten brengen, uithouden, verdragen (elporti)

Australien*

1. Australië (Australio)

Australier*

1. Australiër (australiano)

Australierin*

1. Australische (australianino)

australisch*

1. Australisch (australia)

austreiben*

1. uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen (forpeli)

Austritt*

1. aftreden, uittreding (eksigho)
2. exodus, uittocht (eliro)

austrocknen*

1. drogen, afdrogen, droogmaken, uitdrogen (sekigi)
2. drogen, droogvallen, droog worden, opdrogen, uitdrogen, verdrogen (sekighi)

auswählen*

1. kiezen, uitkiezen, uitlezen, uitpikken, verkiezen, uitzoeken (elekti)

Auswanderer*

1. emigrant, landverhuizer (elmigranto)

auswandern*

1. emigreren, uittrekken, uitwijken (elmigri)

auswärtig*

1. in het buitenland (eksterlande)

auswechseln*

1. ruilen, inruilen, wisselen, inwisselen, uitwisselen, verruilen (intershanghi)

Ausweg*

1. draaierij, smoes, smoesje, toevlucht (elturnigho)

ausweichen*

1. mijden, ontwijken, uit de weg gaan, vermijden (eviti)

ausweinen*

1. uithuilen (elplori)

Ausweis*

1. adstructie, bewijs, teken (pruvo)

ausweisen*

1. uitdrijven, verdrijven, verjagen, wegdrijven, wegjagen (forpeli)

auswendig*

1. uit het hoofd, van buiten (parkere)

auswerfen*

1. spugen, spuwen (sputi)

Auswurf*

1. drek, ontlasting, poep, uitwerpselen (ekskremento)

auszahlen*

1. betalen, dokken, storten, uitbetalen, uitkeren, voldoen (pagi)

auszeichnen*

1. onderkennen, onderscheiden, onderscheid maken tussen (distingi)

Auszeichnung*

1. decor, decoratie, onderscheiding, ridderorde, versiering (dekoracio)
2. onderscheiding (distingajho)
3. onderscheiding (distingo)

ausziehen*

1. afleiden, zetten (ekstrakti)

Auszug*

1. extract, uittreksel (ekstrakto)
2. uittocht (elmigro)
3. ruk, trek (eltiro)

authentisch*

1. authentiek, echt, onvervalst, waar (autentika)
2. echt, eigenlijk, heus, waar, waarachtig (vera)

Auto*

1. auto, wagen (auto)

Autobus*

1. bus, autobus (autobuso)

Autodidakt*

1. autodidact (autodidakto)

Autograph*

1. handschrift (autografo)

Autographie*

1. <kunst om handschriften te reproduceren> (autografio)

Autokrat*

1. alleenheerser, autocraat (autokrato)

Autokratie*

1. alleenheerschappij, autocratie (autokratio)

Automat*

1. automaat (automato)

Autonomie*

1. autonomie, zelfbestuur (autonomio)

Autor*

1. auteur, bedenker, schepper, schrijver (autoro)

Autorität*

1. autoriteit, gezag (autoritato)

Avancement*

1. bevordering, overgang, promotie, verhoging (avanco)

Aviatik*

1. aviatiek, luchvaart, vliegwezen (aviado)

Avis*

1. aankondiging, advies, bekendmaking (avizo)

avisieren*

1. aandienen, aankondigen, adverteren, melden, verkondigen (anonci)
2. aankondigen, adviseren, bekendmaken (avizi)

Axiom*

1. axioma, grondstelling (aksiomo)

Axt*

1. bijl, hakbijl (hakilo)

Azetylen*

1. acetyleen (acetileno)

Azur*

1. azuur, hemelsblauw, lazuur (lazuro)

azurn*

1. azuren, hemelsblauw, lazuren (lazura)

Elektronische Taschenübersetzer für viele Sprachen, wenn auch nicht für Niederländisch, gibt es bei Ectaco.
Ectaco (5538 Byte)Ectaco (6889 Byte)Ectaco (9133 Byte)Ectaco (6509 Byte)Ectaco (7522 Byte)Ectaco (9404 Byte)Ectaco (9181 Byte)


Deutsch-Niederländisch
Deutsch-Niederländisch
? Zurück B
? Niederländisch-Deutsch B
Niederländisch-Deutsch

 

[Akilet] [Aksios] [Ilaros] [Etymos]
[Kontakt] [Forum] [Neues]

XHTML 1.1, optimiert für MS IE 6.0 bei 1024*768 und mittlerem Schriftgrad.
Letzte Änderung: 27. Februar 2003 - © Kunst des Denkens 2003